Alleen in de massa (Eenzaam)

Foto: Aad Van den bos.

Ik slenter door drukke winkelstraten

Voor mijn ogen alleen spinnendraden

Ze kijken elkaar in de ogen aangenaam

Voor mij de hel, moet hier vandaan

Het gejoel van de kinderen horen ze niet

Ik hoor zelf de kleuren die niemand ziet

Voor mij was het heel banaal

Iedereen zoals ik dat is normaal

Maar ze begrijpen niet mijn angst, mijn verdriet

Omdat ik anders leef en voel, een eigen lied

Ben ik een alleenling, zonderling of nietmijnding

Omdat ik telkens te veel prikkels ving

En samen zo niet mijn ding

Geef mij mijn ruimte, geef mij tijd

En niet dat oordeel, dat verwijt

Advertenties

Liedekerke strand

(Liedtekst:)

Waar ben ik toch beland?

Een strand zonder zand

Ik gaf mijn hart in jou hand

Door zotte liefde overmand

Mijn jeans die nu al spant

In Liedekerke strand

We sprokkelden geluk bij elkaar

Van concurrenten geen gevaar

Onszelf zijn kan zowaar

Met jou wordt ik 80 jaar

Onze schuitje ligt al klaar

In Liedekerke strand

Om vijf uur slopen wij

Onze lijven van zweet en klei

Naar land van geluk en vrij

Onder lakens ons stormgetei

Vip plaatsen voor jou en mij

In Liedekerke strand

Daar waar alles kan

En dromen nooit stoppen zal

Schrijven we onze liefdesroman

Onze harten, één bouwplan

Voor afgunst en niemand bang

In Liedekerke strand

Leek de toekomst zo mooi

We speelden in het zomerhooi

Beminden in elke huidplooi

Onze zielen aan elkaar ten prooi

Vluchtelingen uit een gouden kooi

Daar was het strand dat alleen wij konden vinden

Daar was het land dat alleen wij beminden

In Liedekerke strand

In Liedekerke strand

In Liedekerke strand

Het leven: mijn eigen gril

Beeldig Lommel 2018

Foto: Sonja Hoeykens.

(Liedtekst:)

Ik had mijn eigen gril

En niemand die dat wil

Het was stil, het was stil, het was stil

Geen toekomst, honderd gaten

Dus vroeg ik maar aan mijn maten

Wat ze zaten, waar ze zaten, waar ze zaten

Toen opende het doek

Daar ontstond zowaar een vloek

Ik kreeg bezoek, ik kreeg bezoek, ik kreeg bezoek

Wat lekkers klaar gezet

Zo even weer aan zet

Wat een pret, wat een pret, wat een pret!

Toch bleef ik zo alleen

Met jeuksel daar be’neen

Aan mijn teen, aan mijn teen, aan mijn teen

Dus ‘k vroeg God een keer

Mijn hart doet zo zeer

Geef mij meer, geef mij meer, geef mij meer

En die ochtend diep in mei

Een vrouwtje kwam erbij

Aan mijn zij, aan mijn zij, aan mijn zij

Wij werden zo een paar

Het leven begon toen daar

Het was waar, het was waar, het was waar

Ik zag Madame Zaza

En deed de mensen na

Blablabla, blablabla, blablabla

Zo zitten op één lijn

Zou dit het leven zijn?

Het leek fijn, het leek fijn, het leek fijn

Te vroeg ging ik zweven

Straks oud en spontaan beven

Ik wil leven, ik wil leven, ik wil leven

Wat werd mijn leven zwaar

‘k Verloor toen al mijn haar

Ik was klaar, ik was klaar, ik was klaar

Al die herrie thuis erbij

Dat maakte mij niet blij

Ik wil vrij, ik wil vrij, ik wil vrij

Toen kwam zij dichterbij

En zei toen tegen mij:

Papegaai, papegaai, papegaai

Waarop heb ik zolang gewacht?

Foto: Jan Smets.

Waarop heb ik zolang gewacht?

Ik zou het moeten weten, mijn gedacht

Was het in de nacht of overdag?

Wie die mij dat zeggen kan?

Ik herinner mij iets, maar meestal niets

Het was op een woensdag of vrijdag misschien

Het wachten bleef duren

Het leken wel uren

En niets bewoog en niemand kwam

Tot men mij vond

Alleen en verward

Op het koertje voor het ouderenhuis

Zwarte tranen

Foto: Lorenza op Flickr.com.

Ik huil zwarte tranen

Als een niet te ontwaren kluwen

De zon schijnt, maar ik hoor donder en bliksem

Het geluk lacht

Mij uit in het gezicht

De pijn zit diep vanbinnen

Ik wil ze eruit krassen

Maar heb de moed niet

Ik voel mij alleen in de menigte

Ze zitten samen in mijn hoofd

De antoniemen van een autist

Ik ben de weg niet kwijt

Ik zie zelfs geen weg

Mijn ziel is verward

Mijn lichaam loopt over

Mijn geest verdampt

Zwarte tranen maken diepen groeven

In het parket van het leven

Labyrint

Labyrint op de Novalishoeve in Texel in Nederland.
Foto: Roel Wijnants.

Ik verdwaal in mijzelf

Een labyrint met tentakels in de verste hoeken

Als de grote hindoe-moedergodin Durga

Met vier, acht, tien of twintig armen

Grijpen in het heden

Maar het verleden niet kunnen ontrafelen

Beelden als lichtflitsen door het hoofd

Ik verdwaal in de carrousel van het leven

Dat te druk, te chaotisch is voor mij

Ik verlies alle controle

Ik ben bang, doodsbang

Ik ben triest, verschrikkelijk triest

Ik ben boos, boos op de hele wereld

Ik kan het even niet meer aan

Die drukke wereld, al die beelden, die emoties

Geef mij de tijd en ruimte

Die ik nodig heb om het verleden te verwerken

Ik zie vier keer meer dan jou

Ik hoor vijf keer meer dan jou

Geef mij mijn eigen stek

Laat mij alleen

Geef mij voldoende rust

Ik ben anders dan de anderen

Geef mij geborgenheid en zekerheden

Zodat ik een uitweg kan vinden

In het labyrint van het leven

Foto: Arnoud Dewit.

Kos

Foto: Bernard Vignault.

In de kuil van het vasteland tussen hier en ginder.

Sliepen twintig tinten blauw.

Uitgelachen door een zeevogel en vlinder.

Ze noemden het de zee en iedereen was mee.

Het laatste Griekse eiland omarmde Kos.

De greep verzwakte en het Turkse Rijk was om de hoek.

De zee zweeg en pijnigde blauwe fronsen.

Een schreeuw van een eenzame vogel.

Melkwitte boten vergaten verder te varen.

De wind genoot van de Griekse siësta.

Streelde de groene punkharen van de palmen.

Een snelwandelende vogel schelde een kreet.

De take-off was sneller dan het verstommen van elke schreeuw.

Een groene tarmac van het hoteldak.

Een vluchtig onthaal voor raaf en nachtegaal.

Het andere vasteland lag verloren in een zee van mist zoals reeds tevoren.

De namiddagzee stapte voetje voor voetje.

Bedeesd en bevreesd.

Bang de sultan en de Griekse goden wakker te maken.

Alleen door het blauwe laken

Konden zeilboten verder geraken.

Verder van huis of dichter bij thuis.

De kapitein nog in vertwijfeling.

De golven in hun laatste swing.

De siësta die zijn zwanenzang aanving.

Zoektocht naar rust

Foto: Chris van de Merwe.

Het trachten, het zoeken, het verlangen. Het hopen te vinden van de rust, de stilstaande fase in een dagelijkse wedstrijd, een ratrace, een race tegen de tijd.

Het verlangen en het zoeken naar een quasi onbestaande tijdelijke toestand om deze eeuwig te laten duren. De rust zo ver weg, zo ver van hier en zo schraal en bitter weinig aanwezig.

Gestoord, verstoord worden door de verstoorders, hen die drukte, lawaai en onrust kwistig uitdelen als hing hun leven ervan af.

De druk van de dagen, weken en maanden vooruit vol plannen, volle agenda’s, sociale verplichtingen, ontmoetingen, afspraken, noodzakelijkheden, drukten in ons bestaan.

Cijfers van uren, cijfers van minuten, cijfers van dagen, weken, maanden.

Een rat race met mensen, bezige bijen omdat het moet, omdat we er onszelf toe verplichten.

De wanhopige zoektocht naar stilte, rust, bezinning, verandering, stabiliteit. Rust.

Het gezoem van bezige bijen, van slierten auto’s, tractoren, vrachtwagens, die alsmaar diepere putten maken in de wegen en het landschap. De rubberen banden die zich kapot verslijten aan het asfalt, betonnen straten en kiezelwegen. Het schuren tot het bot. Het gekreun en gezoem tot kilometers ver.

Autoloze, autoluwe dagen. Een zegen voor mens en machine. De zondagse rustdag. De zondag wordt uitgesteld tot de volgende vakantie. De volgende vakantie verbleekt voor een nieuwe vlucht uit de dagelijkse beslommeringen.

Het uitkijken naar verlof, pensioen en rust om als het zover is opnieuw deze momenten weer bomvol te boeken met taken, opdrachten, uitstappen, verkenningen, studies, verplichtingen, …

De hunker naar rust, de hunker naar actief bezig zijn, nuttig zijn voor onszelf en anderen, de maatschappij. Bezig zijn, druk zijn.

Wanneer mag Doornroosje weer gaan slapen? De boze wolf weer boos zijn? Roodkapje weer gewoon door het (Haller)bos wandelen? Zonder dit op Twitter of Facebook te moeten posten? Omdat iedereen het doet en we er ons toe verplicht voelen.

De asociale maatschappij die gemaakt sociaal wil doen. Alleen als iedereen het kan zien. Alleen dan.

Ik leef als ik twitter. Ik leef als ik facebook. Maar ik heb geen flauw idee wie de buurman is, de man of vrouw in de trein, in de winkel, naast ons. We zijn doof (dood?) als het geen likes oplevert. We weten niet meer wat we posten.

Facebook vertelt het ons wel een jaar later. Druk doen, druk bezig zijn, de tijd, ons leven verder doen of verdoen, nuttig of nutteloos bezig zijn omdat het moet. Omdat ze willen dat we het allen zo doen?

Alleen

Foto: FaHaD op Flickr.com

Ik ben samen, maar ik wil zo verdomd alleen zijn.

Alleen met mijzelf. Alleen met de wereld.

Weg van de racebaan van drukte, verplichtingen, poeha’s.

Mijn hoofd heeft een boksmatch gehad met vragen, onzekerheden.

De routine is opgeslokt door een groot vakantiemonster.

Het moeten weg gaan, het moeten zoeken en meenemen.

En de stress dat je dan toch iets vergeet en op je donder krijgt.

Weg uit mijn vertrouwde omgeving, mijn habitat.

Het voor mij bekende plaatje, mijn huis, gewoontes, werk.

Het aftellen is begonnen naar de dagelijkse gang van zaken.

De rust van de regelmaat en de planning.

Hoe bang ben ik weer?

Voor al het nieuwe, al het anders, al het onbekende.

Een weekend weg is als een stoorzender voor een radio.

Als een klap tegen je gezicht, de onzekerheid bonkt uit je hart.

Die marathon die je hebt gelopen voor je een voetstap zeg.

Een stap in het onbekende.

Ik ben doodop en de deur moet nog achter mij dicht.

De gevangenis zit aan de buitenkant.

Foto: Camilla Nilsson.

Ik was alleen

Drakenboom op Tenerife.
Foto: NadiaBE op Flickr.com.

Ik was alleen en vond toen samen. We waren jong. We werden oud. Jij gaf mij mijn benen en ik gaf jou mijn hand. Het werd een band. Ons verstand. Eindelijk aanbeland. In dit land.

Waar ik zocht en ik nooit vond. Waar jij vond, maar vergat te zoeken. Waar twee terug één werden. Versmolten in heden elk zijn verleden. De drakenboom wist, maar zijn ringen zwegen in de mist. De moerassen, de woestijnen, de steppen, het heelal om de hoek.

Het vinden van ver hier nabij op de deurmat een welkom en blijf. De deur op een kier, lekker dier blijf hier, voor plezier en vertier, voor luister en kluister, voor een knuf en een puf, voel je hier goed, want dit wordt nu ons thuis.

Na al die zware dromen eindelijk de ochtend aangekomen. In het licht van de wereld. De boosheid op schap, lach op de mond, opnieuw geluk in het rond toen ik jou daar zo vond.