Het gemis van de woestijn

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Ik mis de woestijn.

Elkaar verstrengelende wurgende planten.

Wat moet ik ermee? Ik mag er toch niets mee doen.

Rommel en rotzooi. Grijpend naar elke vierkante centimeter lucht.

Als kolonisten de binnenkoer bezetten als een gebetonneerde settlement.

Elkaar verslindend. Groene vampieren van de dag.

Muur en schutting, ruimte, breedte en hoogte opetend. Als groene koekiemonsters.

Ik mis de woestijn. Alleen zijn en eenzaamheid.

Het gewone geluk gekleefd als een stabiele trilling in een landschap van steppe en woestijnduinen.

Naar ongezuiverde kerosine ruikende highways van Amman tot Petra.

Een landschap van verdorde twijgen, autobanden, autowrakken en verlate wegrestaurants, autowerkplaatsen en théehuizen.

Kilometers van stof en zand en rust in mijn hoofd.

Het sociale koekiemonster eet al mijn weekends op.

Ik hunker naar rust en stilte.

Geen jojo die op en neer gaat.

Geen storende mug op de slaapkamer.

Een oneindig aantal sociale verplichtingen met een bord vol koetjes en kalfjes chocolade.

Ik voel mij leeg van geest en vol van hoofd.

Een marteling van vrijdagavond tot maandagmorgend.

De uren aftellend dat het weekend eindelijk is afgelopen.

Ik voel mij opgesloten en onnuttig in het weekend. Als een aap in een kooi.

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Ik mis de routine. Ik mis elk overzicht, elke controle, elke regelmaat.

Het weekend doodt elke creativiteit, elke zin van ons bestaan. Ik wordt niet gelukkig van weekends.

Het weekend duurt twee dagen te lang. Van nutteloos gekwebbel, gezucht, verplichtingen, gezeur en rommel.

Ik moet mijn hoofd leegmaken van maandag tot vrijdag om het weekend te overleven. Het bomvolle weekend voelt leger dan leeg.

Rondjes fietsen en de pedalen verliezen tot je ter plaatse blijft trappelen.

De onrust, het altijd moeten, het altijd zijn, de noodzaak te leven – of is het langzaam sterven voor mij – breekt mijn hart en vult mijn hoofd met rommel.

Overvolle weekends wurgen al mijn creativiteit, eigenheid, mijzelf, …

Een marionet met handen en voeten gebonden. Bespeeld door anderen. Geleefd. Moe van geleefd te zijn. Doodmoe.

Verlangen naar rust die maar niet wil komen. Een zoektocht naar een sprankeltje mijzelf zijn. Mij nuttig voelen.

Niet meegesleept te worden in de heksenketel van rush, van vrijdagavond tot maandagochtend.

Wurgende planten, versmorende agenda, keelgrijpende weekends. Ik haat het! Ze doden mijn eigen ik.

Ik wil gelukkig zijn in het weekend. Blij zijn en voldaan zoals anderen. Ik mis mijn werk, mijn regelmaat, mijzelf.

Ik herken mij niet meer in de spiegel. Het glas is dof en mat.

Waar ben ik gebleven? Wanneer kan ik weer leven?

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.
Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Zwanger van stenen

De lucht is zwanger van zware stenen.

Die drukken zich omlaag naar Moeder Aarde.

Platte keiën als loodrechte muren.

Loopgraven waarin de mens zich kan schuilen.

Schuilen tegen de dagelijkse regen van zorgen, beslommeringen en problemen.

De lucht is zwanger van keiën zo plat.

Als licht- en donkergrijze vijgen, pladijzen.

Opeen gestapeld als de vergeten muur van Berlijn.

Hastings komt weder na 3.000 jaar afbraak.

De geschiedenis als rode draad.

Muren als verdediging, oorlogen en oproer, opstand en geweld, haat, racisme, welgesteld.

Loopgraven van oorlog, loopgraven van adel.

Kastelen en burchten zo hoog.

Krak des Chevalier, miniversie in Gravensteen.

Belforten, kerken en kathedralen.

Monsters van pracht en praal.

De vergeten rijke stinkerd in God’s portaal.

Grafstenen in de zij- en middengang.

Betonblokken en zerken duwen dieper dan ooit.

Dood is dood en blijven liggen zult gij.

Vergaan met de pieren en vergaan met de dood.

De keiën maken muren, zwakkeren moesten verduren.

Het hoofd voelt de druk.

Van opeengestapelde keiën, rotsblokken, een hand groot. Niemand die daar van genoot.

Onderdrukken, apartheid, verdelen, beheren, arm en rijk, Westen en Oosten, gelukzoeker, vluchteling, armoedezaaier, verschoppeling.

Verstotenen der aarde, vergeten door God.

Al eeuwen, al jaren bouwen we muren om ons heen. Muren van zorgen, verdelen en heersen.

Lijnen in het veld, afbakenen op het kadaster.

Stenen die drukken. Platter dan vijgen.

Van drie uur tot vijven. Geen tijd meer, beklijven.

De kameel kijkt mij aan. Blij, een hunker. Zonder zorgen, geen pijn. Zo zou het nu zijn.

Muren beklimmen, graffiti op beton. Met hamers en beitels. Muren afbreken en bouwen. De zinloosheid aanschouwen. Trabant in de mist.

Een vierkante blokkendoos. Toen Putin spion was in Berlijn. Vervlogen tijden, vervlogen zorgen.

Zoveel beter, zoveel slechter. De hunker naar gisteren, sterker dan de toekomst van morgen.

Geluk is broos. Verdriet zo groot.

De keiën… ze duwen. Dieper drukken, het hoofd zo vol. Verwachtingen en zorgen. Zo vol, zo druk, lawaai, rumoer, altijd weg, nooit thuis. Wanneer eens thuis? Thuis is zo ver weg.

Tussen Antwerpen en Brussel. Tussen Brussel en Oostende. Tussen verwegistan, tussen vandaag en morgen. Een huwelijk, een feest. Tot driemaal toe, maar nooit weg geweest.

De blijvende vluchteling. Vlucht uit vandaag, altijd op weg naar morgen. Geen thuis, de zorgen.

Koffers als mammoeten op de verzengende hitte van macadam, gesmolten asfalt, de rimpels in beton.

Kneggedeng, kneggedeng. En ik hoor het alleen.

Een beitel. Beton in brokken. Het stof. De wind. Blazen heel ver. Grijs stof, grijs beton. Bruine zandkorrels in de woestijn. Roodbruin als een vos in zijn burcht.

Rammelen, roodgroene letters van bierhandel De Man. Stapels bier en drank. Vaten heffen en kratten tillen.

Het gezoem van Utrecht tot Meppel, de auto. Een aangekondigd monster. 1.500 kilo staal. Rubber schurend over elke rimpel in het asfalt.

De vogels ze fluiten. Hoor ze zich eens uiten. De zorgen voor morgen.

Hoe kan je in de toekomst leven als vandaag mijn gisteren hier nog staat?

Als het fluiten niet wil stoppen. Groenrode pestkoppen. Wil slapen, wil rusten.

De keiën vermalen, de brokken betalen. Zand zal terug zand zijn. Stof tot stof wederkeren.

De tijd verbindt de steden. Tot stof zult gij wederkeren. De muren blijven staan langs grachten en tramsporen. Opletten en vluchten voor de aankomende tram. In een bocht. Toeterdetoet. Ik kom eraan. Maar voor de kasteelpoort blijven wij staan. Allen tezamen.

Muren zo dik. Kruisvaardersburcht in Homs. Ik mis je… die muren, duizendjarige stenen, versmolten tot pracht. Muren van rust. Stof om te bezinnen. Stof om te beminnen. Homs, Aleppo, wat doen ze je aan? In rust een duizend jaar bestaan.

Kasteelburcht van de Koerden.

Toen kwamen de kruisvaarders eraan. Ridders van Gent en ridders van Malta. La Valetta precies.

Moslims en christenen. Een zorgeloos bestaan.

Kalifaat en khalifa. Andalousië en Irak. Perzië, Iran.

Waarom die verdeeldheid, al die zorgen? Waarom altijd vechten, die strijd en die haat? Niemand die daarom vraagt.

Palestina, de joden, een eeuwig conflict. Een garen, een kleur, rode draad van bloed, de dageraad, de morgen. Duizend jarige haat.

Hoe mooi was het ooit. De graansikkel, het paradijs. Fruit in alle kleuren. De humus, de morgen.

De zeevaarders, zij varen uit. Van Beiroet, Libanon. De mare nostrum bevaren. Schepen, kajuiten. Ceder trees. Dadels, vijgen, mago’s, graan en de wijn.

De wierook uit Jemen. Met qad, de drugs, bolle wangen, de rust, de vaak, de slaap, de zorgen verdrongen. Op weg naar morgen.

Weer verandering!

Weer verandering! Weer storm in mijn hoofd!

Nieuwe computer, nieuw behang, nieuwe dokter voor de voeten.

Waarom weer verandering? Waarom weer helemaal anders?

Ik ben het even beu. Ik wil ook dingen alleen doen. Rust en stilte in mijn hoofd. Weg tornado’s die alles mee zuigen in een draaikolf.

Ik wil een bureau thuis om aan te werken en te schrijven.

Tractor. Boem, boem. Weg zijn wij. Altijd weg, altijd reizen.

Bakstenen vallen uit de lucht. De muur is af en toch blijven bakstenen naar beneden komen.

Rode bakstenen. Mijn hoofd zit vol. Vol lawaai, drukte, veranderingen, geluiden. Weg is de stilte. De stilte van de woestijn.

Koekoek en roekoe. Ik wring hun nek nog eens om! Dit is geen uur om al wakker te zijn!

Deur open en dichtklappen van een auto. Starten van de auto, verder rijden.

Bonk, knots. Waarom maken autoportieren die ’s morgens dichtslaan altijd zo een hels kabaal?

Kabaal, lawaai. Lawaai, kabaal.

Vlucht naar voren.

Was morgen maar gisteren, dan zou ik vandaag gelukkig zijn.

Mijn hoofd zit vol. Weeral!

Zoals een pas getankte benzinetank in de zomer.

Zoals de Piper Alfa uit zijn voegen explodeerde.

Vol zoal zwart en dan nog zwarte dozen erbij.

De weg van stilte is zoek. Een verlaten eenzame weg versus een autostrade van indrukken en geluiden. Emoties en gevoelens als een zware last in een rugzak om mee te dragen.

De rugzak lijkt makkelijk van je af te gooien en dan strompel je opnieuw over een nieuwe rugzak. Vol met andere spullen waarvan je niet weet of ze van jou, jou buurman of iemand anders zijn.

Als die koekoek nog eens koekoek roept, zal ik wat kroepoek in zijn bed steken.

Vliegtuig weg met zorgen in de lucht of weg om weg te zijn? Als jaarlijkse of trimestriële verplichting. Die we dan met de nodige druk en poeha aan onszelf hebben opgelegd.

Mijn verhaal. Een ander verhaal. Ik ben anders. Maar laat me toch mijzelf zijn. Laat mij leven en mijn eigen ding doen.

Ik ben geen kleuter, geen klein kind. Ik heb ook een mening, interesses, ik wil ook mijzelf zijn en mij nuttig voelen in deze maatschappij.

De storm kan gaan liggen. De stilte kan terugkeren. Het zware hoofd zat weer zo vol. Vol-au-vent met koekoek. Dat zou misschien ook wel lekker zijn.