In de metro in Lissabon in Portugal. Foto: Antonio Vidigal.
Ze stond daar eenzaam en stil. Alleen in de vroegte van een late septemberdag. Ik voelde haar aanwezigheid en zij de mijne. En dan, even, keken we elkaar diep in de ogen.
Het was voor het eerst en de ontmoeting was al meteen intens. Haar rood doorlopen ogen knipperden als op regelmaat naar mij.
Zou onze intense maar korte rendez-vous zich herhalen? Morgenvroeg of volgende week? De toekomst zou klaarheid brengen. Ik liet haar staan bij het ontwaken van de dag.
Je komt toch altijd dezelfde mensen tegen op het perron en in de metro. Het meisje met de kastanje bruine paardenstaart. Waarbij je je afvraagt hoe haar dikke vette ronde kont ooit in haar jeans past en wanneer ze uit haar jeans gaat springen.
Met haar kartonnen zakje en haar bruine lederen handtas gemaakt door achtjarige kinderen in Bangladesh in mensonterende omstandigheden.
Met een aura van ontgoocheling, woede, verdriet van ik, Calimero, tegen de boze collega’s en bazen op het werk. Haar moeilijke relatie met haar jeugdvriend. De dominerende moeder en de afwezige vaderfiguur en het negativisme van een bus Okra-leden drie uren in de file, in dat vrouwelijk lijfje.
Ze werkt niet bij ons hoor. Maar ik zie ze wel dagelijks in haar strijd, vol nijd, tegen haarzelf. De misnoegdheid van het topje van haar strandschoenen tot de kleinste vezel in haar bestaan.
En dan is er ook de grote dikke loebas die in Aalst de trein neemt. Wit t-shirt drie maten te klein voor zijn dikke buik en navel op de voorgrond zijn nek uitsteken naar de pendelaars. Dag navel, dag dikke man. Met je bruine short en opgeblazen gezicht net alsof je er en half uur met een fietspomp in gepompt hebt. Haren zoals Johan Verminnen, maar het voorste deel van het hoofd goed kaal. Gezicht van een verdronken vlinder in de Kalmthoutse heide. Zoals de ark van Noach; iedereen mag mee.
Cross Country op 5 oktober 1980. Foto: Lynchburg (Virginia) College Archives – Scanned negatives 35mm 1980 66 Thomas op Flickr.com.
De tijd achtervolgt een rennende student naar een klaarstaande bus.
Zijn grijpgrage klauwen in de dikke mist slaan genadeloos toe.
Als kathedralen vechten de kantoorverlichting en straatlantaarns een verloren oorlog tegen de wurggreep van de ochtenddauw en de nevel die de carnavalstad gijzelen in de eerste uren van een woensdagochtend.
De trein geeuwt zich een weg vooruit. De koplampen net voldoende geopend om het juiste spoor te vinden. De pendelaars op weg om de week in twee te delen met een halfvol halfleeg gevoel in een met ontbijtgranen en ochtendboterhammen gevulde maag.
De vlucht naar voren, de haren naar achteren en de werktas in het midden. Potloodgrijze draden van mist en nevel hertekenen het desolate landschap in een winterslaap op een koele zomerochtend.
Drakenboom op Tenerife. Foto: NadiaBE op Flickr.com.
Ik was alleen en vond toen samen. We waren jong. We werden oud. Jij gaf mij mijn benen en ik gaf jou mijn hand. Het werd een band. Ons verstand. Eindelijk aanbeland. In dit land.
Het vinden van ver hier nabij op de deurmat een welkom en blijf. De deur op een kier, lekker dier blijf hier, voor plezier en vertier, voor luister en kluister, voor een knuf en een puf, voel je hier goed, want dit wordt nu ons thuis.
Na al die zware dromen eindelijk de ochtend aangekomen. In het licht van de wereld. De boosheid op schap, lach op de mond, opnieuw geluk in het rond toen ik jou daar zo vond.
“We know we’re gonna make it You know you’re gonna like it We know it’s the new hit We know we’re gonna make it You know you’re gonna like it for sure You’re gonna love it”
Tekst en foto: Stefano Libertini. Model: Paolo.
“Je weet dat wij het gaan maken Je weet dat je ervan zal houden We weten dat het de nieuwe hit is We weten dat wij het gaan maken Je weet beslist dat je ervan zal houden Je zal ervan houden.”
Jij bent de reden van mijn glimlach.
Het genieten van het leven.
Het ontdekken van de dingen.
Je maakt mij zo gelukkig en compleet.
Ups en downs zijn er overal.
Weten wat je aan elkaar hebt, steun geven in goede en slechte dagen.
Het is min 19 in de verlaten toendra en de ijzige lucht dringt door alle metaal van de trein die moeizaam op gang komt.
Zuchtend, piepend en smekend sleept de zware locomotief zich voort in het stille desolate landschap tussen het dode liggende vee dat de laatste vrieskou niet heeft overleeft.
De metalen spoorstaven worden door koning winter tegen elkaar naar boven geduwd.