Zure regen en zuurstof

Dood bos door de zure regen in de Tsjechische republiek. Foto: Raman Boersbroek.

JUF JEDERMANN BLOG MET PASSIE – 24 februari 2012 – Zure regen, zoute drop, zet mijn glazen petje op, lekker lopen in de regen, niemand houdt de vogels tegen. Alle wolken waaien weg, regenjas met superpech. Zure regen, zoute drop, maar de zon die gaat niet op.

‘Grappig juf, al die onzin. Zure regen, haha.’ Wil reageert op het gedichtje dat ze het liefst nog wel twintig keer hardop zouden willen lezen met elkaar. Ze zijn gebiologeerd door het ritme, net als juf Jedermann. Ze begrijpen het ook, want anders zou Wil niet zo gereageerd hebben. ‘Nou Wil, dat moet je niet zeggen. Zure regen bestaat echt en daar is niemand blij mee.’ Ze wordt taxerend aangekeken door de hele groep. ‘Echt waar juf?’ ‘Echt waar, maar dat leren jullie later nog wel, dat is nog een beetje moeilijk.’ Nu willen ze het juíst weten. ‘Oké, ik vertel het, maar dan mag je het meteen weer vergeten.’

Ze hangen allemaal aan haar lip. En les geven als leerlingen aan je lip hangen, figuurlijk dan, want letterlijk is het geen pretje, is het heerlijkste dat bestaat. Voor ze het weet, houdt ze een hele verhandeling over de Aarde, de atmosfeer, de ozonlaag, het gat en de zure regen. Er ontstaat een tekening op het bord waar de ouders later vol ontzag naar kijken. En als ze de woorden lezen die erbij geschreven staan zoals ‘atmosfeer= dampkring’ en ‘ozonlaag’ lijkt het of ze in het V.O. terecht zijn gekomen in plaats van in groep 3. ‘Zo, leren ze dat nu al? Wat knap!’ In haar dagverslag houdt ze het simpel. Wat zou een inspecteur zeggen als hij het zou lezen? Ze schrijft dus Lezen: extra aandacht voor woordenschat en het gedicht (blz. 21). Bij WO schrijft ze: Het weerà  regen.  

 ‘Juf, zei u nou dat we zonder atmosfeer niet kunnen ademen? Hoe kan dat dan?’ ‘In de atmosfeer zit  zuurstof en als er geen zuurstof is, dan kun je niet meer ademen’, legt ze uit. ‘Een vuur bijvoorbeeld kan dan ook niet meer branden.’  Franks adem stokt even, want hij ‘stookt fikkies’ als ze mag afgaan op de vele aanstekers die ze al in haar la heeft liggen. Dat je dood gaat omdat er geen zuurstof is, is nog tot daar aan toe, maar dat je dan geen fikkies meer kan stoken dat is verschrikkelijk!

Er staat de volgende dag een aquarium in de klas als ze op school komen. Er zit een klein laagje water in. ‘Krijgen we vissen, juf?’ ‘Nee, ik ga jullie laten zien dat een vlam ook niet zonder zuurstof kan, dan gaat hij uit.’ Frank staat al bij de bak. Als iedereen er is, neemt ze een waxinelichtje en steekt het aan. Ze zet het voorzichtig op het water. Poeh, de spanning is om te snijden. Ze wordt er zelf een beetje door meegesleept. ‘Wat denken jullie dat erin zit?’, vraagt ze terwijl ze een leeg glas laat zien. Haha, die juf. Niets natuurlijk, dat zien ze zo wel. Ze hebben het mis. Er zit lucht met zuurstof in. Dat kan je niet zien, maar het is er wel. Als ze straks het glas over het kaarsje zet, kan het vlammetje nog even branden, maar als de zuurstof op is…… gaat het vlammetje vanzelf uit.

Alle ogen zijn vol spanning op het vlammetje gericht als ze het glas eroverheen zet. En ja hoor, even later begint de vlam te sputteren en gaat uit. Ze kijken allemaal meteen naar haar handen, maar ze is expres op afstand gaan staan om te laten zien dat het geen truc is. ‘Ja’, zegt Lieke. ‘Dat komt door het water!’ Ze denken nog steeds dat het een of andere goochel-act is. Heel voorzichtig haalt ze het glas weg en pakt het lichtje. Het kaarsje is nog steeds droog en als ze het aansteekt, brandt het meteen. Ze doet de proef nog een keer en als de vlam dreigt uit te gaan, tilt ze het glas voorzichtig op zodat er weer lucht bij kan komen. De vlam laait meteen weer op. ‘Mag ik het ook eens doen, juf?’ Ze laat een paar kinderen het glas optillen en weer terugzetten. Wil doet het te snel, het pitje is nu wél nat. Een mooi moment om te stoppen. Juf Jedermann vult deze keer in bij WO: Lucht.

Bron: Juf Jedermann.

Advertenties

Het gemis van de woestijn

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Ik mis de woestijn.

Elkaar verstrengelende wurgende planten.

Wat moet ik ermee? Ik mag er toch niets mee doen.

Rommel en rotzooi. Grijpend naar elke vierkante centimeter lucht.

Als kolonisten de binnenkoer bezetten als een gebetonneerde settlement.

Elkaar verslindend. Groene vampieren van de dag.

Muur en schutting, ruimte, breedte en hoogte opetend. Als groene koekiemonsters.

Ik mis de woestijn. Alleen zijn en eenzaamheid.

Het gewone geluk gekleefd als een stabiele trilling in een landschap van steppe en woestijnduinen.

Naar ongezuiverde kerosine ruikende highways van Amman tot Petra.

Een landschap van verdorde twijgen, autobanden, autowrakken en verlate wegrestaurants, autowerkplaatsen en théehuizen.

Kilometers van stof en zand en rust in mijn hoofd.

Het sociale koekiemonster eet al mijn weekends op.

Ik hunker naar rust en stilte.

Geen jojo die op en neer gaat.

Geen storende mug op de slaapkamer.

Een oneindig aantal sociale verplichtingen met een bord vol koetjes en kalfjes chocolade.

Ik voel mij leeg van geest en vol van hoofd.

Een marteling van vrijdagavond tot maandagmorgend.

De uren aftellend dat het weekend eindelijk is afgelopen.

Ik voel mij opgesloten en onnuttig in het weekend. Als een aap in een kooi.

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Ik mis de routine. Ik mis elk overzicht, elke controle, elke regelmaat.

Het weekend doodt elke creativiteit, elke zin van ons bestaan. Ik wordt niet gelukkig van weekends.

Het weekend duurt twee dagen te lang. Van nutteloos gekwebbel, gezucht, verplichtingen, gezeur en rommel.

Ik moet mijn hoofd leegmaken van maandag tot vrijdag om het weekend te overleven. Het bomvolle weekend voelt leger dan leeg.

Rondjes fietsen en de pedalen verliezen tot je ter plaatse blijft trappelen.

De onrust, het altijd moeten, het altijd zijn, de noodzaak te leven – of is het langzaam sterven voor mij – breekt mijn hart en vult mijn hoofd met rommel.

Overvolle weekends wurgen al mijn creativiteit, eigenheid, mijzelf, …

Een marionet met handen en voeten gebonden. Bespeeld door anderen. Geleefd. Moe van geleefd te zijn. Doodmoe.

Verlangen naar rust die maar niet wil komen. Een zoektocht naar een sprankeltje mijzelf zijn. Mij nuttig voelen.

Niet meegesleept te worden in de heksenketel van rush, van vrijdagavond tot maandagochtend.

Wurgende planten, versmorende agenda, keelgrijpende weekends. Ik haat het! Ze doden mijn eigen ik.

Ik wil gelukkig zijn in het weekend. Blij zijn en voldaan zoals anderen. Ik mis mijn werk, mijn regelmaat, mijzelf.

Ik herken mij niet meer in de spiegel. Het glas is dof en mat.

Waar ben ik gebleven? Wanneer kan ik weer leven?

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.
Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.