De oude man in Amsterdam

Foto: John Kwee op Flickr.com.

Een gesloopte oude man,

berimpeld als de bank onder hem,

herkauwde zijn stad Amsterdam

van mistroostigen zonder stem.

Met pet en baard hun ochtendtoer

duwden ze karren over smalle steegjes

de bakker, de vodde- en de eierboer

en brachten hun laatste weetjes.

Toen een fiets nog houten banden had,

onze vaste hand kon schitteren met tollen,

we zakdoekje legden en niemand het zag

en met knikkers en bikkelen niet lieten sollen.

Daar zagen we van de goede werken lief

een weesmeisje vluchten door de achtertuin

voor deportatie dwars en repressief

kinderlachjes geselecteerd tot doodspluim.

Autisme Storm.

Hoe lang was het geleden?

De witte mandarijndraak of mandarijneend.
Foto: Martien Uiterweerd.

Hoe lang was het geleden?

Niemand zou het weten.

Hoe lang had het geduurd voor ze elkaar zagen?

Ze konden niet helder denken, alleen vragen.

Was het een herfstdag, lente of in mei?

Dat ze daar zaten, een bankje aan de Leie.

Ze keken elkaar aan.

Ze waren dezelfde en toch anders. Anders dan voorheen.

De nieuwe oude kennismaking.

Een gebaar, een streling, een gewaarwording.

Veel te lang had het geduurd.

Zoveel water door de Leie.

De boten van voorheen waren reeds versleten.

Van een ‘goede behouden vaart’ naar ‘uit de vaart’.

Ze vluchtten niet langer in het verleden.

Foto: Janny Hospes.

De nieuwe tijd sloot oude wonden en bracht leed en nieuwe wonden.

Een andere tijd met een oude piano.

Een piano die niet gestemd moest worden.

Voor stemming was geen tijd.

En hun oren waren reeds jaren versleten.

Versleten, maar het bleven oren.

Lang, uitgerokken, verweerd door tijd en jaren.

Ze hoorden elkaars glimlach en ze zagen het schuren van eikenbladeren over de weg van het leven.

Horen werd zien en zien werd horen.

Dat schijnt zo te horen.

Er waren niet langer beperkingen.

Er waren niet langer aparte zintuigen.

Ze waren één geworden met de houten bank.

Verweerd door weer en wind.

Foto: illie72 op Flickr.com.

De groene verf afgebladerd.

Het hout gebarsten zoals een barstend hoofd na een avondje te veel gaan stappen.

De oude zitbank had zichzelf verzopen in het grijze water van de Leie.

Het riet verborg niet langer de vogels die voor schaamte waren weggedoken.

Het riet gaf het op.

De zwaarste storm had het doorstaan, maar de maandenlange regen verrotte de boel tot in de holte van de stengel.

De houten bank was de schaduw van de dinsdag- en donderdagmiddagen en fleurde alleen op zondagochtend nog op.

De week werd korter.

Het oudere koppel bleef langer weg.

Tot alleen hun namen waren te lezen op het kerkhof aan de andere kant van de Leie.

Toendra

Foto: florisla op Flickr.com.

Het is min 19 in de verlaten toendra en de ijzige lucht dringt door alle metaal van de trein die moeizaam op gang komt.

Zuchtend, piepend en smekend sleept de zware locomotief zich voort in het stille desolate landschap tussen het dode liggende vee dat de laatste vrieskou niet heeft overleeft.

De metalen spoorstaven worden door koning winter tegen elkaar naar boven geduwd.

De trein schokt vooruit over elke bubbel.

De dikke pelsen frakken bieden nauwelijks weerstand en de ijzige ademwolkjes verspreiden zich als de smoor van Havaanse sigaren in de donkere treincoupé.

Het houten bankstel kreunt met elke nerf mee als een vergane matroesjka.

Aan de wekenlange ijskoude lijkt maar geen eind te komen.

De loodzware winter van dood en verderf heeft genadeloos toegeslagen.

Mens en dier, machine en leven vechten met de duivelse winter een strijd om overleven uit.

Niemand zal straks ongehavend de lente beminnen als het aanschouwen van een Russische ballerina in het theater van Moskou.

De winter zal sterven, de lente zal met stille tred op het voorplan treden.

De littekens van de witte hel zullen nog maanden meeslepen in de ontwakende toendra van morgen.

Autisme Storm.