
Foto: AI – WordPress.com.
het licht scheen
niet langer heen
maar volop
van teen tot kop
geen idee of het herfst of lente was
toen ik het zag, toen ik het las
maar vandaag was iemand blij
en ik wist… dat was hij
Autisme Storm.

Foto: AI – WordPress.com.
het licht scheen
niet langer heen
maar volop
van teen tot kop
geen idee of het herfst of lente was
toen ik het zag, toen ik het las
maar vandaag was iemand blij
en ik wist… dat was hij
Autisme Storm.

De lente waaide voorbij,
zoals ook de winter was voorbij gevroren.
Er leken geen seizoenen meer
sinds de herfst zijn twee opvolgers ontbladerde.
.
Het bleef koud, nat en kil
en de vijfde maand sukkelde van de kalender.
.
Zwangere wolken dreven eindeloos voorbij,
alsof de zon ophokplicht had gekregen.
Het weer leek niet meer van de grond te komen
met temperaturen onder vijftien graden.
.
De terrassen vochten met de politiek en plexiglas
als openluchtzwembaden voor mensen met kleren aan.
.
Het ging ooit wel weer goed komen,
als de staatsgreep van de herfst werd verslagen
door een leger van warmte en zonnestralen
en we vol nostalgie zouden terugdenken aan die eeuwige herfst.
.
Autisme Storm.

Verloren in de sofa
Vermoord door amandelbloesems van van Gogh
Blauw behangpapier
Weerspiegelde in haar tranendal hier
Alleen
Sinds de lente uit de schilder verdween
Haar beminde rots van roze witte spekjes zoet
Gesloten doek
Dagen
Verdriet volwaardig geprint in statige 3D-lagen
Zinken
In de loopgraven van het leven zonder bunker
En zuchten
Om met wanhoop de longen te luchten
Autisme Storm.

Ik vond de zoetheid in het witte licht
Van een broeihete ijskast
Omgeven door speeltjes die leefden
In een verleden en toekomst
Waar beertjes zaten in het brood
En vlinders dartelden olifanten groot
Ik vond de zuurheid in het gele licht
Toen de ijskast begon te smelten
En fonteintjes keukenmieren deden laven
Aan jenever met citroenijs
Van een kofschip dat niet wou drijven
In de zwaarte van het heden
Ik vond de zachtheid in het groene licht
Toen marsmannetjes stonden te wachten
Met witte mondmaskertjes op de lijnbus
En ze vergaten te vragen
De eindhalte van hun avontuur
In vond de rust in het zwarte licht
Omdat niemand daar knipperde
De was daar droogde en weekte zonder draden
Een eengemaakte geur van de ontplofte zomer
Na de staatsgreep op de lente
Die we nog steeds niet konden aanvaarden
Autisme Storm.

Wanneer de donkere dagen slopen
En de zomer al lang is weggelopen
Zoeken wij naar het verdwenen licht
Een nuttige taak, een dagelijkse plicht
Maar vrijheid heeft zijn klauwen klaar
Het wordt dus slechter zo voorspel ik maar
Achtervolgt door donkere dagen
Horen we de massa zagen en klagen
Alsof het eeuwig winter wezen zal
Trappen wij telkens in diezelfde val
Met een humeur immer slecht en vals
Maar ik verzeker: het gaat beteren als…
Ach, alles duurt toch zo ontzettend lang
Ginds opgesloten in een donkere hall
Kon ik maar lachen, kon ik maar zien
Kon ik maar… leven bovendien
Maar dat geduld heb ik niet
Mijn hoofd eeuwig zwart vergiet
Wie zal mij redden uit dit tranendal
Voor dat eindelijk die lente komen zal
Autisme Storm.

De wind verloor zijn haren
Maar niet zijn streken
De winter stond voor de deur
Bonken zonder kloppen
Onder elke spleet
Een gespleten venijn
Die doet sidderen
Als de eerste keer
Verschrompelen als een oudje
En versmurfen tot blauw
De winter was binnen
De winter was buiten
De zomer zat in Ibiza
De herfst in Canada
En de lente nog
In moeders’ buik
Autisme Storm.

Drie primus madeliefjes honoreerden de spijzen
Tandpijn en oogziektes niet langer te krijgen
Heesters te snoeien, kleine vosjes die stoeien, vroegers die bloeien,
Krokussen verschijnen, zwijntjes heel kleintjes, balkonbakken fijntjes
Wildemanskruid harig ranonkel, geel hart van meeldraden
Bonte kleuren, Diana Clare en Charles Lamont schilderen tuinpaden
Bollen en knollen worden bloemen en kleuren
Toverhazelaar en sneeuwbal geweldig die geuren
Bittere bessen van de Gelderse roos laten vogels afschrikken
Boeketjes gaspeldoorn beschermt door vlijmscherpe prikken
Magnolia klokken luiden het einde van nacht en van vorst
Camelia verslapen, Mimosa aan het gapen, wilgenkatjes zo’n dorst
Zilver grijsblauwe naalden van Libanese ceder
Insekten, konijntjes, zo klein en zo teder
Ooievaars klapperen hun eigen, hun toon
Roze bloemen te eten van de judasboom
De rhododendrons verlegen kijken omlaag
De lente is nu. Nu en vandaag.
Autisme Storm.

Het was weer lang geleden
De sneeuw die kwam beneden
Het zag overal witjes aan
Alle auto’s van de baan
Ik kon het niet geloven
Wat deden ze toch daarboven
Boven in de hel
Deden zo hun ding daar wel
Kon ik maar verlangen
Naar vogels en gezangen
Kon ik maar weer staan
Op de aarde of de maan
Maar niemand kan ooit beloven
Dat de lente ooit zal komen
Mijn adem bleef toen staan
Het leven plots gedaan
Ik stond die ochtend voor het venster
Mijn lichaam zijn laatste genster
Het zag zo wit daarbuiten
Sterretjes bevroren aan de ruiten
Maar voor mijn ogen, plotseling zo zwart
Opeens begeven, veel te jong mijn hart
Ik zal geen honderd halen
Ik steeg op uit de dalen
Mijn karma zweeft nu rond
Waar het nooit vriest aan de grond
Het zal nooit meer lente of winter wezen
Nooit meer pijn, ziek of genezen
Ik heb mijn rust gevonden
In de hemel voor de honden
Autisme Storm.

Hoe lang was het geleden?
Niemand zou het weten.
Hoe lang had het geduurd voor ze elkaar zagen?
Ze konden niet helder denken, alleen vragen.
Was het een herfstdag, lente of in mei?
Dat ze daar zaten, een bankje aan de Leie.
Ze keken elkaar aan.
Ze waren dezelfde en toch anders. Anders dan voorheen.
De nieuwe oude kennismaking.
Een gebaar, een streling, een gewaarwording.
Veel te lang had het geduurd.
Zoveel water door de Leie.
De boten van voorheen waren reeds versleten.
Van een ‘goede behouden vaart’ naar ‘uit de vaart’.
Ze vluchtten niet langer in het verleden.

De nieuwe tijd sloot oude wonden en bracht leed en nieuwe wonden.
Een andere tijd met een oude piano.
Een piano die niet gestemd moest worden.
Voor stemming was geen tijd.
En hun oren waren reeds jaren versleten.
Versleten, maar het bleven oren.
Lang, uitgerokken, verweerd door tijd en jaren.
Ze hoorden elkaars glimlach en ze zagen het schuren van eikenbladeren over de weg van het leven.
Horen werd zien en zien werd horen.
Dat schijnt zo te horen.
Er waren niet langer beperkingen.
Er waren niet langer aparte zintuigen.
Ze waren één geworden met de houten bank.
Verweerd door weer en wind.

De groene verf afgebladerd.
Het hout gebarsten zoals een barstend hoofd na een avondje te veel gaan stappen.
De oude zitbank had zichzelf verzopen in het grijze water van de Leie.
Het riet verborg niet langer de vogels die voor schaamte waren weggedoken.
Het riet gaf het op.
De zwaarste storm had het doorstaan, maar de maandenlange regen verrotte de boel tot in de holte van de stengel.
De houten bank was de schaduw van de dinsdag- en donderdagmiddagen en fleurde alleen op zondagochtend nog op.
De week werd korter.
Het oudere koppel bleef langer weg.
Tot alleen hun namen waren te lezen op het kerkhof aan de andere kant van de Leie.

Wanneer de herfst langs de bladeren begint te schuren, zal het wachten op de winter niet lang meer duren.
De zon zal alsmaar minder schijnen. De laatste kleuren van de mooie herfst verdwijnen.
Van natuur in kleurenpracht naar welterusten fauna en flora, slaap zacht. Jullie tijd is gekomen. Wat rest zijn de laatste dromen.
De vrieskou is in het land. Koning winter aan de overhand.
De nerven van ons bestaan laten zich één voor één gaan. Hun laatste uren gekomen, slechts kaal nu alle bomen.
Laat mij niet sterven in de winter. De lente, de zomer, de herfst tot ginder.
Laat mij dromen van alle seizoenen. Geef mij liefde, warmte en duizend zoenen.
Laat mij lente, zomer en mijn oude dagen slijten in de herfst. Maar mijn waardigheid is geen open werf.
Als mijn benen zijn versleten heb ik nog mijn wankel geweten. Als ik traag word als een slak, maak van mijn dagelijks geluk dan mijn levensvak.
Laat mij antiek, Ambiorixen in Tongeren, maar nooit verdorsten of verhongeren.
Maar als zout blijft neerdalen in open wonden. En mijn lichaam en geest draaien in een alsmaar kleiner ronde.
Dan hoef ik geen rondje winter meer. Dan wil ik geen laatste seizoen en heel veel zeer.
Als ik niet langer kan dromen, hoeft de winter niet meer langs te komen.
Dan wil ik in jou armen vertoeven en daar in de herfst mijn laatste paddenstoelen zoeken.
Autisme Storm.