Een winter van water

Een winter van water.

De lente komt later.

Het snotteren, het snuiten.

De mist. In het hoofd en daarbuiten.

Een winter als een koude herfst.

Waarin alles langzaam sterft.

Tot niets meer dood kan gaan.

Een traan van de maan en de zwaan.

Allen wachten op beter, wachten op dan.

Uitzien tot de natuur weer kan.

Ontwaken en bloeien.

Verschijnen, stoeien en groeien.

Alsof de vaak en slaap nooit ophielden.

En de dood allen verzielden.

Ze proefden de kou als metaal in de mond.

Ze aten kalkoen, zich dik en heel rond.

Ze verdreven het donker, het zwart en de nacht.

Tot de ooievaar de jonker en lente weer bracht.

Autisme Storm.

Zandstorm in mijn hoofd

Schurende korrels botsen tegen metalen plaatjes en bakstenen.

Een mist, een wolk van bruin stof.

Libanon. Syrië. Woestijn.

Een bruine stofwolk.

Bruine peetjes in klei. Van stof tot mens gemaakt.

De snelheid van het stof, de zandkorrel, de mist van een bruine storm.

De kameel is stil. Met vier.

De koekoek roept als een ambetant beest dat niet kan ‘doordutten’ tot de noen, maar een ‘ratrace’ houdt elke dag met de stralen van de zon.

Gezoem van een rijdend schip.

En nog één! Zwaarder. Trillingen. Zoals de vibratie van een zandstorm.

Huizen dansen op hun palen en een water van cement.

Paalwoningen in een karkas van ijzer gevlochten in ‘concrete’.

De luie vogels zijn afwezig.

De zotte morgen is weer begonnen.

Zotte morgen van maandag tot vrijdag, maar woensdag niet.

Toekedoeng.

Ribbel na ribbel in de verzinkende eenheid van asfalt- en betonstroken.

Geluid van links naar rechts. Van rechts naar links.

Elke bult voelend in kermen van krakend ijzer en hard rubber.

Stomme koekoek! Hou je mond! Leg een ei in andermans nest.

Nieuwe dag, waarom overslaap jij je nooit eens?

Autisme Storm.