Wanneer begon schrijven zo’n pijn te doen, eerlijk zijn tegen mezelf zo moeilijk?
Mijn woorden vloeiden in zonsondergangen, manen, zonsopgangen, schemeringen en dergelijke, maar wanneer werd het lichamelijk zo moeilijk, zo zwaar om eerlijk te zijn tegen mezelf?
Misschien was het toen ik besefte dat de alledaagsheid van het leven het graf van mijn ziel is, dat geld voor mezelf hebben niet zo geweldig was?
Misschien besefte ik toen dat kunst om de kunst alleen maar tot wanhoop leidt?
En toen besefte ik uit pure wanhoop tegen mezelf te liegen, het verhaal in stand te houden.
Ik was wanhopig alleen, wanhopig vechtend bang.
Wanneer realiseerde ik me dat ik een kikker op de bodem van een put was en mijn slachtoffermentaliteit misschien een verzinsel van de verbeelding?
Was alles wat er met me gebeurd was zo erg? Is er iets mis met me?
Ik was bijna overtuigd en toen voelde ik mijn hart echt versplinteren. Ik realiseerde me dat ik er eigenlijk niet toe deed.
De brandende sigaret en een kop koffie, mijn metgezellen weer Sombere dag, lawaaierig verkeer, geen enkel mooi meisje te zien: de poldernamiddag op zijn mooist Niets anders te doen dan aan een pijp lurken en dit gedicht schrijven Mijn poging tot creativiteit met een geest onder invloed en gedachten die op hol slaan Ik zou een kerk kunnen beginnen maar in plaats daarvan ga ik slapen
Nieuwe computer, nieuw behang, nieuwe dokter voor de voeten.
Waarom weer verandering? Waarom weer helemaal anders?
Ik ben het even beu. Ik wil ook dingen alleen doen. Rust en stilte in mijn hoofd. Weg tornado’s die alles mee zuigen in een draaikolf.
Ik wil een bureau thuis om aan te werken en te schrijven.
Tractor. Boem, boem. Weg zijn wij. Altijd weg, altijd reizen.
Bakstenen vallen uit de lucht. De muur is af en toch blijven bakstenen naar beneden komen.
Rode bakstenen. Mijn hoofd zit vol. Vol lawaai, drukte, veranderingen, geluiden. Weg is de stilte. De stilte van de woestijn.
Koekoek en roekoe. Ik wring hun nek nog eens om! Dit is geen uur om al wakker te zijn!
Deur open en dichtklappen van een auto. Starten van de auto, verder rijden.
Bonk, knots. Waarom maken autoportieren die ’s morgens dichtslaan altijd zo een hels kabaal?
Kabaal, lawaai. Lawaai, kabaal.
Vlucht naar voren.
Was morgen maar gisteren, dan zou ik vandaag gelukkig zijn.
Mijn hoofd zit vol. Weeral!
Zoals een pas getankte benzinetank in de zomer.
Zoals de Piper Alfa uit zijn voegen explodeerde.
Vol zoal zwart en dan nog zwarte dozen erbij.
De weg van stilte is zoek. Een verlaten eenzame weg versus een autostrade van indrukken en geluiden. Emoties en gevoelens als een zware last in een rugzak om mee te dragen.
De rugzak lijkt makkelijk van je af te gooien en dan strompel je opnieuw over een nieuwe rugzak. Vol met andere spullen waarvan je niet weet of ze van jou, jou buurman of iemand anders zijn.
Als die koekoek nog eens koekoek roept, zal ik wat kroepoek in zijn bed steken.
Vliegtuig weg met zorgen in de lucht of weg om weg te zijn? Als jaarlijkse of trimestriële verplichting. Die we dan met de nodige druk en poeha aan onszelf hebben opgelegd.
Mijn verhaal. Een ander verhaal. Ik ben anders. Maar laat me toch mijzelf zijn. Laat mij leven en mijn eigen ding doen.
Ik ben geen kleuter, geen klein kind. Ik heb ook een mening, interesses, ik wil ook mijzelf zijn en mij nuttig voelen in deze maatschappij.
De storm kan gaan liggen. De stilte kan terugkeren. Het zware hoofd zat weer zo vol. Vol-au-vent met koekoek. Dat zou misschien ook wel lekker zijn.