Het verhaal in het verleden voor de mensen van heden.
Hoe lang was het geleden?
Dat ze elkaar terug in de ogen konden kijken?
Een zerk ertussen.
Van de melkboer, die van zijn melk was toen zijn zaak van melk op de fles ging.
Tetra Pak. Dat was de toekomst hadden twee Zweden bedacht.
En het was afgelopen met melk en fruitsap in flessen.
Zijn zaak en zijn hart begaven het.
Nu ligt hij spelbreker te wezen tussen hen.
Zij die daar in elkaars ogen keken en zagen dat het goed was.
Die elkaars hart hoorden tikken.
Tot ze alleen hun dikke hoorapparaat nog zagen als ze hun dikke bokaalglazen met de wind voelden tikken op hun dikke neuzen die in tegenovergestelde richting stonden.
In melkwitte letters staan hun namen nu geschreven in dikke basalt.
En tussen hen in met gouden grote dikke krullen die van een melkboer die zijn tijd had gehad.
De koeien stonden werkloos in de wei.
Sojabonen moest het nieuwe stadsvolk hebben.
En tofu en glutenvrij brood.
De molenaar verbleekte op een oude prentbriefkaart.
De oude tijd zou verhuizen naar filmarchieven.
Zelfs de bibliotheken deden hun beeldenstorm met letters en woorden.
Digitalisering. Computerisering. Online.
Lenen en ontlenen zonder stof of zorgen.
De oude bank verdween. Versleten en niet vervangen.
Alleen de Leie bleef meanderen zoals voorheen.
Ze keek alleen in de bocht de andere kant op.
Weer drie knipogen de oude rivier verder de stad in begeleiden.
Het trachten, het zoeken, het verlangen. Het hopen te vinden van de rust, de stilstaande fase in een dagelijkse wedstrijd, een ratrace, een race tegen de tijd.
Het verlangen en het zoeken naar een quasi onbestaande tijdelijke toestand om deze eeuwig te laten duren. De rust zo ver weg, zo ver van hier en zo schraal en bitter weinig aanwezig.
Gestoord, verstoord worden door de verstoorders, hen die drukte, lawaai en onrust kwistig uitdelen als hing hun leven ervan af.
De druk van de dagen, weken en maanden vooruit vol plannen, volle agenda’s, sociale verplichtingen, ontmoetingen, afspraken, noodzakelijkheden, drukten in ons bestaan.
Cijfers van uren, cijfers van minuten, cijfers van dagen, weken, maanden.
Een rat race met mensen, bezige bijen omdat het moet, omdat we er onszelf toe verplichten.
De wanhopige zoektocht naar stilte, rust, bezinning, verandering, stabiliteit. Rust.
Het gezoem van bezige bijen, van slierten auto’s, tractoren, vrachtwagens, die alsmaar diepere putten maken in de wegen en het landschap. De rubberen banden die zich kapot verslijten aan het asfalt, betonnen straten en kiezelwegen. Het schuren tot het bot. Het gekreun en gezoem tot kilometers ver.
Autoloze, autoluwe dagen. Een zegen voor mens en machine. De zondagse rustdag. De zondag wordt uitgesteld tot de volgende vakantie. De volgende vakantie verbleekt voor een nieuwe vlucht uit de dagelijkse beslommeringen.
Het uitkijken naar verlof, pensioen en rust om als het zover is opnieuw deze momenten weer bomvol te boeken met taken, opdrachten, uitstappen, verkenningen, studies, verplichtingen, …
De hunker naar rust, de hunker naar actief bezig zijn, nuttig zijn voor onszelf en anderen, de maatschappij. Bezig zijn, druk zijn.
Wanneer mag Doornroosje weer gaan slapen? De boze wolf weer boos zijn? Roodkapje weer gewoon door het (Haller)bos wandelen? Zonder dit op Twitter of Facebook te moeten posten? Omdat iedereen het doet en we er ons toe verplicht voelen.
De asociale maatschappij die gemaakt sociaal wil doen. Alleen als iedereen het kan zien. Alleen dan.
Ik leef als ik twitter. Ik leef als ik facebook. Maar ik heb geen flauw idee wie de buurman is, de man of vrouw in de trein, in de winkel, naast ons. We zijn doof (dood?) als het geen likes oplevert. We weten niet meer wat we posten.
Facebook vertelt het ons wel een jaar later. Druk doen, druk bezig zijn, de tijd, ons leven verder doen of verdoen, nuttig of nutteloos bezig zijn omdat het moet. Omdat ze willen dat we het allen zo doen?
Cross Country op 5 oktober 1980. Foto: Lynchburg (Virginia) College Archives – Scanned negatives 35mm 1980 66 Thomas op Flickr.com.
De tijd achtervolgt een rennende student naar een klaarstaande bus.
Zijn grijpgrage klauwen in de dikke mist slaan genadeloos toe.
Als kathedralen vechten de kantoorverlichting en straatlantaarns een verloren oorlog tegen de wurggreep van de ochtenddauw en de nevel die de carnavalstad gijzelen in de eerste uren van een woensdagochtend.
De trein geeuwt zich een weg vooruit. De koplampen net voldoende geopend om het juiste spoor te vinden. De pendelaars op weg om de week in twee te delen met een halfvol halfleeg gevoel in een met ontbijtgranen en ochtendboterhammen gevulde maag.
De vlucht naar voren, de haren naar achteren en de werktas in het midden. Potloodgrijze draden van mist en nevel hertekenen het desolate landschap in een winterslaap op een koele zomerochtend.