Nymfomane

Foto: Jaune d’eau op Flickr.com.

Met jou stekels en jou dodendans

Dook je op bij professor Van Ranst

Jij hyperseksuele nepgodin

Drong er opeens in

In onze wereld lief en klein

Bracht je ellende en deed pijn

Je was een gestoorde vrouw

En lustte ons allemaal rouw

Jou anorgasmie was een fobie

Jou killer instinct een fantasie

Voor jou stonden dokters als lakei

Speelden kinderen thuis met boetseerklei

Voelden wij ons klein in een grote rij

Als een Giel in monnikspij

De wereld werd opnieuw ons dorp

Een buurtwinkel op schouderworp

Om achten allen uit de deur

Even klappen tegen de ophoksleur

Onze helden niet langer op tv

Maar zorg en politie mijn idee

De professoren, labo en de rest

Doen nu zo wreed hun best

De middelen zijn duur en schaars

De patiënt nu groen dan paars

Lange dagen, lange uren

Krijgen het zwaar verduren

Vele handen, vele bedden

Moeten onze toekomst zetten

Helden in wit, groen en blauw

Helden man en vrouw

Helden zonder handleiding

Vechten voor een blijde tijding

Vechten voor u en ik

Vechten voor een knik

Om even op adem te komen

En waakzaam te blijven dromen

Onthoofden zij het gevaar

Maar de nymfomane blijft daar

Als een gestoorde psychopaat

Die maar niet rusten gaat

Man met een bijl

Lumberjack.
Foto: Drew Osumi.

De bebaarde hipster met een bijl over de schouder

Voelde het door zijn rode ruitjeshemd alsmaar kouder

Voor de winter in Alaska zou toeslaan

Ging hij lang en ver van huis vandaan

Met euthanasie verlossen van zij die lijden

En hartverscheurend in de bossen wegkwijnen

Zijn Caterpillars kraakten de noten van de sneeuw

Een slechtvalk kirde over de Yucon rivier

De snelste vogel nog even hier

Om over de rotswanden te zweven

Alvorens naar Zuid-Afrika te begeven

De hipster houthakker had het begrepen

Zich als God door zijn zware taak te slepen

De keuze maken tussen levenden en doden

Voor trauma’s die geen uitweg boden

Zoals mensen die niet meer genezen

En hun laatste uren vrezen

Zo genadig moet een boomhakker zijn

Het aanhoren van leven, wonde en pijn

En als ze doodgaan dan maken we een kruis

Voor hun nabestaanden of een nieuw huis

Maalbeek

Foto: Jelle Vanthuyne.

We gingen op weg zoals elke ochtend

We gingen op weg zoals telkens weer

Toen daalde de zwarte regen neer

Voor jou geen dinsdag meer

Drukke metro een laatste zoen

Vertrouwde stop waarom anders doen

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Bedolven in stof van haat en woede

Bedolven in schoonheid zoet

Zo dichtbij de hel onder de grond

Waar onze liefde vond

Ontspoorde gekken gemene gril

Toen stierf de tijd en het werd stil

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Europa schrok en keek naar jou

Europa huilde om man en vrouw

Kon ik je maar een knuffel geven

Was jij maar bij mij gebleven

Verdronken rivier huilende dagen

Na woede nog zovele vragen

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Onze ontmoeting daar plots gedaan

Onheil en een donkere traan

We omarmden elkaar daar zonder zorgen

Maar waar is nu de weg naar morgen

Je bleef daar achter op jankende treden

Heden werd toen het verleden

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Hun dromen maken wij vandaag

Hun namen als een tweede laag

De stad verbonden in elke hoek

Laat haat voor eeuwig zoek

De stad verbonden in elke hoek

Laat haat voor eeuwig zoek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

De weken tellen geen dinsdagen meer

De uren zoeken minuten weer

Ach irissen zullen er altijd bloeien

Uit donker het licht blijven stoeien

De stad verbonden in elke hoek

Laat haat voor eeuwig zoek

De stad verbonden in elke hoek

Laat haat voor eeuwig zoek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek

Tweede laureaat Nekka Liefde voor Lyriek wedstrijd 2019.

Waarop heb ik zolang gewacht?

Foto: Jan Smets.

Waarop heb ik zolang gewacht?

Ik zou het moeten weten, mijn gedacht

Was het in de nacht of overdag?

Wie die mij dat zeggen kan?

Ik herinner mij iets, maar meestal niets

Het was op een woensdag of vrijdag misschien

Het wachten bleef duren

Het leken wel uren

En niets bewoog en niemand kwam

Tot men mij vond

Alleen en verward

Op het koertje voor het ouderenhuis

Maalbeek

Foto: Xoteroto op flickr.com

We gingen op weg zoals elke ochtend

We gingen op weg zoals telkens weer

Toen daalde de zwarte regen neer

Voor jou geen dinsdag meer

Drukke metro een laatste zoen

Vertrouwde stop waarom anders doen

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Bedolven in stof van haat en woede

Bedolven in schoonheid zoet

Zo dichtbij de hel onder de grond

Waar onze liefde vond

Ontspoorde gekken gemene gril

Toen stierf de tijd en het werd stil

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Europa schrok en keek naar jou

Europa huilde om man en vrouw

Kon ik je maar een knuffel geven

Was jij maar bij mij gebleven

Verdronken rivier huilende dagen

Na woede nog zovele vragen

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Onze ontmoeting daar plots gedaan

Onheil en een donkere traan

We omarmden elkaar daar zonder zorgen

Maar waar is nu de weg naar morgen

Je bleef daar achter op jankende treden

Heden werd toen het verleden

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Hun dromen maken wij vandaag

Hun namen als een tweede laag

De stad verbonden in elke hoek

Laat haat voor eeuwig zoek

De stad verbonden in elke hoek

Laat haat voor eeuwig zoek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

De weken tellen geen dinsdagen meer

De uren zoeken minuten weer

Ach irissen zullen er altijd bloeien

Uit donker het licht blijven stoeien

De stad verbonden in elke hoek

Laat haat voor eeuwig zoek

De stad verbonden in elke hoek

Laat haat voor eeuwig zoek

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek,

Maalbeek, Maalbeek, Maalbeek.

Late herfst

Foto; Tunde Pecsvari.

Wanneer de herfst langs de bladeren begint te schuren, zal het wachten op de winter niet lang meer duren.

De zon zal alsmaar minder schijnen. De laatste kleuren van de mooie herfst verdwijnen.

Van natuur in kleurenpracht naar welterusten fauna en flora, slaap zacht. Jullie tijd is gekomen. Wat rest zijn de laatste dromen.

De vrieskou is in het land. Koning winter aan de overhand.

De nerven van ons bestaan laten zich één voor één gaan. Hun laatste uren gekomen, slechts kaal nu alle bomen.

Laat mij niet sterven in de winter. De lente, de zomer, de herfst tot ginder.

Laat mij dromen van alle seizoenen. Geef mij liefde, warmte en duizend zoenen.

Laat mij lente, zomer en mijn oude dagen slijten in de herfst. Maar mijn waardigheid is geen open werf.

Als mijn benen zijn versleten heb ik nog mijn wankel geweten. Als ik traag word als een slak, maak van mijn dagelijks geluk dan mijn levensvak.

Laat mij antiek, Ambiorixen in Tongeren, maar nooit verdorsten of verhongeren.

Maar als zout blijft neerdalen in open wonden. En mijn lichaam en geest draaien in een alsmaar kleiner ronde.

Dan hoef ik geen rondje winter meer. Dan wil ik geen laatste seizoen en heel veel zeer.

Als ik niet langer kan dromen, hoeft de winter niet meer langs te komen.

Dan wil ik in jou armen vertoeven en daar in de herfst mijn laatste paddenstoelen zoeken.

De rennende student

Cross Country op 5 oktober 1980.
Foto: Lynchburg (Virginia) College Archives –
Scanned negatives 35mm 1980 66 Thomas op Flickr.com.

De tijd achtervolgt een rennende student naar een klaarstaande bus.

Zijn grijpgrage klauwen in de dikke mist slaan genadeloos toe.

Als kathedralen vechten de kantoorverlichting en straatlantaarns een verloren oorlog tegen de wurggreep van de ochtenddauw en de nevel die de carnavalstad gijzelen in de eerste uren van een woensdagochtend.

De trein geeuwt zich een weg vooruit. De koplampen net voldoende geopend om het juiste spoor te vinden. De pendelaars op weg om de week in twee te delen met een halfvol halfleeg gevoel in een met ontbijtgranen en ochtendboterhammen gevulde maag.

De vlucht naar voren, de haren naar achteren en de werktas in het midden. Potloodgrijze draden van mist en nevel hertekenen het desolate landschap in een winterslaap op een koele zomerochtend.

Zeemonster

Gij, dwaas zeemonster met kwalogen in het plafond.

Wat zit gij toch te schijnen hier altijd in het rond.

Hou toch op met turen en mij altijd te begluren.

Ik ben hier om te slapen, ook al is het slechts acht uren.

Laat mij met rust, gij vieze vuile zeegeest.

Gij die altijd licht geeft om ter meest.

Doe mij de duivel niet langer aan.

Of met uw bestaan is het weldra gedaan.

Een weldoordachte klik op de schakelaar.

Dan ben ik gered en is de zoete nacht weer daar.