Liedekerke strand

(Liedtekst:)

Waar ben ik toch beland?

Een strand zonder zand

Ik gaf mijn hart in jou hand

Door zotte liefde overmand

Mijn jeans die nu al spant

In Liedekerke strand

We sprokkelden geluk bij elkaar

Van concurrenten geen gevaar

Onszelf zijn kan zowaar

Met jou wordt ik 80 jaar

Onze schuitje ligt al klaar

In Liedekerke strand

Om vijf uur slopen wij

Onze lijven van zweet en klei

Naar land van geluk en vrij

Onder lakens ons stormgetei

Vip plaatsen voor jou en mij

In Liedekerke strand

Daar waar alles kan

En dromen nooit stoppen zal

Schrijven we onze liefdesroman

Onze harten, één bouwplan

Voor afgunst en niemand bang

In Liedekerke strand

Leek de toekomst zo mooi

We speelden in het zomerhooi

Beminden in elke huidplooi

Onze zielen aan elkaar ten prooi

Vluchtelingen uit een gouden kooi

Daar was het strand dat alleen wij konden vinden

Daar was het land dat alleen wij beminden

In Liedekerke strand

In Liedekerke strand

In Liedekerke strand

Advertenties

Waarop heb ik zolang gewacht?

Foto: Jan Smets.

Waarop heb ik zolang gewacht?

Ik zou het moeten weten, mijn gedacht

Was het in de nacht of overdag?

Wie die mij dat zeggen kan?

Ik herinner mij iets, maar meestal niets

Het was op een woensdag of vrijdag misschien

Het wachten bleef duren

Het leken wel uren

En niets bewoog en niemand kwam

Tot men mij vond

Alleen en verward

Op het koertje voor het ouderenhuis

De rennende student

Cross Country op 5 oktober 1980.
Foto: Lynchburg (Virginia) College Archives –
Scanned negatives 35mm 1980 66 Thomas op Flickr.com.

De tijd achtervolgt een rennende student naar een klaarstaande bus.

Zijn grijpgrage klauwen in de dikke mist slaan genadeloos toe.

Als kathedralen vechten de kantoorverlichting en straatlantaarns een verloren oorlog tegen de wurggreep van de ochtenddauw en de nevel die de carnavalstad gijzelen in de eerste uren van een woensdagochtend.

De trein geeuwt zich een weg vooruit. De koplampen net voldoende geopend om het juiste spoor te vinden. De pendelaars op weg om de week in twee te delen met een halfvol halfleeg gevoel in een met ontbijtgranen en ochtendboterhammen gevulde maag.

De vlucht naar voren, de haren naar achteren en de werktas in het midden. Potloodgrijze draden van mist en nevel hertekenen het desolate landschap in een winterslaap op een koele zomerochtend.

Ik was alleen

Drakenboom op Tenerife.
Foto: NadiaBE op Flickr.com.

Ik was alleen en vond toen samen. We waren jong. We werden oud. Jij gaf mij mijn benen en ik gaf jou mijn hand. Het werd een band. Ons verstand. Eindelijk aanbeland. In dit land.

Waar ik zocht en ik nooit vond. Waar jij vond, maar vergat te zoeken. Waar twee terug één werden. Versmolten in heden elk zijn verleden. De drakenboom wist, maar zijn ringen zwegen in de mist. De moerassen, de woestijnen, de steppen, het heelal om de hoek.

Het vinden van ver hier nabij op de deurmat een welkom en blijf. De deur op een kier, lekker dier blijf hier, voor plezier en vertier, voor luister en kluister, voor een knuf en een puf, voel je hier goed, want dit wordt nu ons thuis.

Na al die zware dromen eindelijk de ochtend aangekomen. In het licht van de wereld. De boosheid op schap, lach op de mond, opnieuw geluk in het rond toen ik jou daar zo vond.

Zittend aan het strand

Foto: Roberto Bowyer.

Zittend aan het strand.

Door liefde overmand.

Zagen zij geen gisteren en morgen.

Waren verdwenen alle zorgen.

Bleven zij van vroeg tot laat.

Zonder woorden, geen gepraat.

Een korrel van het zand.

De wereld in hun hand.

Het zoeken en het vinden.

Meer dan gewone vrienden.