Daklozenkrant

Het centraal station van Brussel.
Foto: Han Soete.

De Bosnische verkoper van de Daklozenkrant aan het centraal station vraagt Italliaanse toeristen hoe het met hen gaat.

Comme stai seniora?

Elektriciens repareren het verkeerslicht aan de Griekse ambassade.

Spaanse studenten leveren hun laatste examens in aan de taalschool Marie Haps en Bulgaarse arbeiders werken aan de riolering in de Trierstraat.

Lobbyisten van 27 landen bereiden de belangrijke Europese top over migratie voor die donderdag en vrijdag wordt gehouden in de Europese wijk.

Alles gaat hier in Brussel gewoon zijn gangetje.

Advertenties

Het gemis van de woestijn

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Ik mis de woestijn.

Elkaar verstrengelende wurgende planten.

Wat moet ik ermee? Ik mag er toch niets mee doen.

Rommel en rotzooi. Grijpend naar elke vierkante centimeter lucht.

Als kolonisten de binnenkoer bezetten als een gebetonneerde settlement.

Elkaar verslindend. Groene vampieren van de dag.

Muur en schutting, ruimte, breedte en hoogte opetend. Als groene koekiemonsters.

Ik mis de woestijn. Alleen zijn en eenzaamheid.

Het gewone geluk gekleefd als een stabiele trilling in een landschap van steppe en woestijnduinen.

Naar ongezuiverde kerosine ruikende highways van Amman tot Petra.

Een landschap van verdorde twijgen, autobanden, autowrakken en verlate wegrestaurants, autowerkplaatsen en théehuizen.

Kilometers van stof en zand en rust in mijn hoofd.

Het sociale koekiemonster eet al mijn weekends op.

Ik hunker naar rust en stilte.

Geen jojo die op en neer gaat.

Geen storende mug op de slaapkamer.

Een oneindig aantal sociale verplichtingen met een bord vol koetjes en kalfjes chocolade.

Ik voel mij leeg van geest en vol van hoofd.

Een marteling van vrijdagavond tot maandagmorgend.

De uren aftellend dat het weekend eindelijk is afgelopen.

Ik voel mij opgesloten en onnuttig in het weekend. Als een aap in een kooi.

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Ik mis de routine. Ik mis elk overzicht, elke controle, elke regelmaat.

Het weekend doodt elke creativiteit, elke zin van ons bestaan. Ik wordt niet gelukkig van weekends.

Het weekend duurt twee dagen te lang. Van nutteloos gekwebbel, gezucht, verplichtingen, gezeur en rommel.

Ik moet mijn hoofd leegmaken van maandag tot vrijdag om het weekend te overleven. Het bomvolle weekend voelt leger dan leeg.

Rondjes fietsen en de pedalen verliezen tot je ter plaatse blijft trappelen.

De onrust, het altijd moeten, het altijd zijn, de noodzaak te leven – of is het langzaam sterven voor mij – breekt mijn hart en vult mijn hoofd met rommel.

Overvolle weekends wurgen al mijn creativiteit, eigenheid, mijzelf, …

Een marionet met handen en voeten gebonden. Bespeeld door anderen. Geleefd. Moe van geleefd te zijn. Doodmoe.

Verlangen naar rust die maar niet wil komen. Een zoektocht naar een sprankeltje mijzelf zijn. Mij nuttig voelen.

Niet meegesleept te worden in de heksenketel van rush, van vrijdagavond tot maandagochtend.

Wurgende planten, versmorende agenda, keelgrijpende weekends. Ik haat het! Ze doden mijn eigen ik.

Ik wil gelukkig zijn in het weekend. Blij zijn en voldaan zoals anderen. Ik mis mijn werk, mijn regelmaat, mijzelf.

Ik herken mij niet meer in de spiegel. Het glas is dof en mat.

Waar ben ik gebleven? Wanneer kan ik weer leven?

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.
Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Leeg

Ik voel me leeg vandaag. Een vrije donderdag en andere donderdagen werk ik net als al de dagen van maandag tot vrijdag. Voor een autist is regelmaat, structuur en planning heel belangrijk. Dus mijn ‘vrije dag’ voelt als een lijdensweg.

Ze zegt tegen mij vanmorgen: “Ben je al wakker?” Ik denk: “Nee, ik slaap nog. Wat een vraag? Je ziet mij hier staan. Gebruik je hersenen nu een keer voor je van die overbodige opmerkingen maakt, waar niemand beter van wordt”.

Ze zegt tegen mij vanmorgen: “Het is koud, het heeft gevroren. Ik heb warm water over de auto moeten gieten”. Ik denk: “Wat wil je? Het is eind januari, het is winter, hallo…?”

Ze zegt tegen mij: “Het is glad.” Ik zeg: “Dat heb ik gisteren toch gezegd, dat het vanmorgen glad ging worden?” Ik denk: “luister toch eens als ik wat vertel”. Toch geen vroeg-dementie, hoop ik. Anders zijn ‘we’ goed af.

Ze is weg. Ik voel mij moe, doodmoe, leeg, een lege kamer, maar de leegte ervan is ook leeg, zo leeg. Mijn hoofd vol overbodige opmerkingen en vragen en mijn lichaam doet overal pijn.