
Foto: AI – WordPress.com.
het licht scheen
niet langer heen
maar volop
van teen tot kop
geen idee of het herfst of lente was
toen ik het zag, toen ik het las
maar vandaag was iemand blij
en ik wist… dat was hij
Autisme Storm.

Foto: AI – WordPress.com.
het licht scheen
niet langer heen
maar volop
van teen tot kop
geen idee of het herfst of lente was
toen ik het zag, toen ik het las
maar vandaag was iemand blij
en ik wist… dat was hij
Autisme Storm.

Er was eens een jonge dame, genaamd wicht
wiens snelheid veel sneller was dan het licht
ze vertrok op een dag
zonder iemand het zag
en keerde de vorige nacht weer terug
Autisme Storm.

De regen vaagde de maandag weg,
de dinsdag zag en zweeg.
Autisme Storm.

Wanneer de donkere dagen slopen
En de zomer al lang is weggelopen
Zoeken wij naar het verdwenen licht
Een nuttige taak, een dagelijkse plicht
Maar vrijheid heeft zijn klauwen klaar
Het wordt dus slechter zo voorspel ik maar
Achtervolgt door donkere dagen
Horen we de massa zagen en klagen
Alsof het eeuwig winter wezen zal
Trappen wij telkens in diezelfde val
Met een humeur immer slecht en vals
Maar ik verzeker: het gaat beteren als…
Ach, alles duurt toch zo ontzettend lang
Ginds opgesloten in een donkere hall
Kon ik maar lachen, kon ik maar zien
Kon ik maar… leven bovendien
Maar dat geduld heb ik niet
Mijn hoofd eeuwig zwart vergiet
Wie zal mij redden uit dit tranendal
Voor dat eindelijk die lente komen zal
Autisme Storm.

Verdwaald in kilte en donkere dagen
Tussen zijn geboorte en het nieuwe jaar
Gedragen in dunne speklagen
Wegen glad vol doodsgevaar
Naar een nieuwe wereld en toekomst
De oude zorgen en nieuw verdriet
Met rijke spijzen en dranken gemorst
Zodat iedereen het weet en ziet
Begint het licht weldra te branden
Alles moet weer vol en vlug
Goede intenties gaan verzanden
En niemand kan nog terug
Het nieuwe wordt weer snel het oude
Kaarten met wensen vergeeld papier
Die verstotene weer in de kou
Onze deur niet langer op een kier
De rolluiken dalen neer
De stress versmacht de gezelligheid
Onverschilligheid haalt het weer
En volgend jaar proberen we het nog een keer
Autisme Storm.

(Liedtekst:)
​​​​​Ik gaf je mijn hart, maar je zag het niet
Ik gaf je mijn ziel, maar je lust hem niet
.
Toch bleef je mij verbazen
Als een storm rondrazen
De spiegel jou wereld
Als een slaapnachtkus
.
En als ik nu mag spreken
Dat laat ik je weten
Dat laat ik mij gaan
Als een geile krielhaan
.
Ik gaf je mijn hart, maar je zag het niet
Ik gaf je mijn ziel, maar je lust hem niet
.
Toch bleef je mij negeren
Als een zak vol kleren
Jou vrienden jou keet
Als een eigen planeet
.
En als ik nu kon kiezen
Dan wil ik niet verliezen
Dan wil ik bij jou zijn
Met een half glas wijn
.
Ik gaf je mijn hart, maar je zag het niet
Ik gaf je mijn ziel, maar je lust hem niet
.
Toch loop je met die knapen
Met een jeans vol gaten
Kijk maar naar ze op
Als een buikspreekpop
.
En als ik nu kon toveren
Dan wil jou veroveren
Dan wil ik er zijn
Als jou lichtkonijn
.
Ik gaf je mijn hart, maar je zag het niet
Ik gaf je mijn ziel, maar je lust hem niet
.
Je ging toen lopen schat
Naar een grote stad
Vijf kerels een kat
En een heel groot bad
.
Ik gaf je mijn hart, maar je zag het niet
Ik gaf je mijn ziel, maar je lust hem niet
Ik gaf je mijn hart, maar je zag het niet
Ik gaf je mijn ziel, maar je lust hem niet
Autisme Storm.

Je tatoeëerde je naam in de lippen van mij
De vogels floten en wij hoorden het niet
Jou in mij voelen maakte mij zo vrij
En wetende dat niemand ons zo ziet
Ik voelde je adem aan mijn zij
Je was zo kwetsbaar, maar toch zo sterk
Ik pakte je vast aan je stevige dij
Van liefde maakte jij stevig werk
Onze lichaamssappen borrelden tesamen
De wereld was beperkt tot ons twee
Het zweet stond binnen op de ramen
Toen ik vroeg ‘wil je meer’ zei ze ‘nee’
Het bleef bij die ene keer
Ze zei ‘gedaan, het was fijn’
Mijn hart opgewarmd, maar doet zo zeer
Begreep ze maar die pijn
Autisme Storm.

Hoe lang was het geleden?
Niemand zou het weten.
Hoe lang had het geduurd voor ze elkaar zagen?
Ze konden niet helder denken, alleen vragen.
Was het een herfstdag, lente of in mei?
Dat ze daar zaten, een bankje aan de Leie.
Ze keken elkaar aan.
Ze waren dezelfde en toch anders. Anders dan voorheen.
De nieuwe oude kennismaking.
Een gebaar, een streling, een gewaarwording.
Veel te lang had het geduurd.
Zoveel water door de Leie.
De boten van voorheen waren reeds versleten.
Van een ‘goede behouden vaart’ naar ‘uit de vaart’.
Ze vluchtten niet langer in het verleden.

De nieuwe tijd sloot oude wonden en bracht leed en nieuwe wonden.
Een andere tijd met een oude piano.
Een piano die niet gestemd moest worden.
Voor stemming was geen tijd.
En hun oren waren reeds jaren versleten.
Versleten, maar het bleven oren.
Lang, uitgerokken, verweerd door tijd en jaren.
Ze hoorden elkaars glimlach en ze zagen het schuren van eikenbladeren over de weg van het leven.
Horen werd zien en zien werd horen.
Dat schijnt zo te horen.
Er waren niet langer beperkingen.
Er waren niet langer aparte zintuigen.
Ze waren één geworden met de houten bank.
Verweerd door weer en wind.

De groene verf afgebladerd.
Het hout gebarsten zoals een barstend hoofd na een avondje te veel gaan stappen.
De oude zitbank had zichzelf verzopen in het grijze water van de Leie.
Het riet verborg niet langer de vogels die voor schaamte waren weggedoken.
Het riet gaf het op.
De zwaarste storm had het doorstaan, maar de maandenlange regen verrotte de boel tot in de holte van de stengel.
De houten bank was de schaduw van de dinsdag- en donderdagmiddagen en fleurde alleen op zondagochtend nog op.
De week werd korter.
Het oudere koppel bleef langer weg.
Tot alleen hun namen waren te lezen op het kerkhof aan de andere kant van de Leie.

Een orkaan van moleculen zweeft rond
Kleine partikels hoog boven in de lucht
Met een verschroeiende niets aflatende snelheid
Och zo klein, och zo snel, bliksemsnel
Twee atomen, punten, stippen aan het heelal
Eeuwig blijvend, eeuwig voort bewegend
Een snelheid, een intensiteit, een kracht nooit gezien
Piepkleine delen die zweven in de stroom
van een fluitketel, energie opwekkend, drijvend, vliegend,
storm en orkaan, snelheid
Verder dan wij kunnen zien met camera’s en telescopen
Meer licht, meer power en meer kracht dan wij in mensentaal kunnen benoemen
Het heelal miljarden keren groter dan wij ooit dachten
Duizend Columbussen nodig om het te ontdekken… ooit
Zo enorm, zo ledig en zo vol
Leeg en vol tegelijk
Zwart, kleurloos en in regenboog kleuren tegelijk
Jij mens kan niets zien
Hij God kan alles zien
Bestuurder van mens en natuur
Partikels, stofjes in het heelal
Met de afstandsbediening voor miljarden drones

Nee, het leven is niet eindig
Het begint pas als wij denken dat het stopt
Als de mens denkt dat het vijf voor twaalf is,
is het nog maar de eerste minuut van een nieuwe dag
We hebben nog niets gezien
Het is nog volstrekt donker en nacht
Het blauwe uur moet nog komen
Het is nog maar net naar bed gegaan
De schakering, de overgang tussen dag en nacht
of nacht en dag beter gezegd
Eén minuut na middernacht is het
Niet vijf voor twaalf
Als wij denken dat we dood gaan, dan het einde nabij is,
dat het afgelopen is, dat we onze keukelaar zetten,
zijn we nog primatuurtjes
Het leven begint pas als wij denken dat er geen leven meer is
Als we het einde denken te zien,
is het wachten op het licht na de tunnel
Als alles donker wordt, is het slechts een slaap
Als alles tot rust komt, is het louter pauze
Een knop ‘on hold’
Even uitademen
De stilte van één mini-seconde
En nog één
Als alles stil en donker wordt, als alles dood lijkt,
is het een stilstaand beeld op de tv,
de winterslaap van fauna, flora, een beer, de bloem, de boom, onszelf

Onze winterslaap gaat tot in het kleinste partikel,
de kleinste atoom, de kleinste cel van ons lichaam
De kern van onszelf, ons bestaan
Het lichaam is ons omhulsel
Zoals cichorei. Een ajuin. Alles verwelkt.
Alle schillen bevatten de kern van ons bestaan, ons wezen
Het karma vervat in de ziel
De pose tot de pauze
En na elke pauze het atoom
dat onze ziel bevat en dat opnieuw uitgroeit
tot een nieuw karma, een nieuw bestaan
Als we ons ontdoen van alle schillen,
vervellen we telkens tot het ene atoom
dat meer licht geeft dan alle sterren samen
Dat meer energie en kracht bevat dan de zwaarste atoombom
of vulkaanuitbarsting
Uit het niets zal alles ontstaan
Opnieuw en opnieuw
Elke atoom zal opnieuw zijn karma opbouwen
Als een lege batterij die in het stopcontact opnieuw tot leven komt
Er is geen einde aan het leven
De dood is enkel de transitie, de pauzeknop naar een ander leven
De trein die even stil staat
En toch weer verder bolt naar een nieuwe halte
Een nieuw landschap verkent en ontdekt en over de sporen weer tot leven komt
De sporen liggen er
De wissels van voordien bepalen onze volgende bestemming
Ons doel, onze reis
We sporen naar een nieuw leven, naar een nieuwe toekomst
Een nieuw karma verwelkomt ons
Hoe de partikels zweefden en quasi tot stilstand kwamen bepaalt
de volgende beweging, vlucht, storm, orkaan in ons bestaan
Nooit meer hetzelfde als voorheen, het verleden, als de rugzak,
de bagage om mee te nemen op een nieuwe reisweg
Een nieuwe route in ons bestaan
Als niets zijn wij gekomen en als niets zullen wij ook verder gaan
Ons bestaan
BIJ-STAAN
Iemand staat ons bij
Een éne God figuur
Geen mens, gans anders…
Autisme Storm.


Als je het kon horen.
De wind draait rond mijn oren.
Als je het kon voelen.
Wat ik wil bedoelen.
Als je het zou zien.
Ogen voor een man of tien.
Nummerplaten voor de vleet.
Altijd het detail dat het ‘m deed.
Kriebels in mijn buik.
Elke verandering een grote fuik.
En drukte in mijn hoofd.
Weinig goeds dat dat beloofd.
Prikkels hier, prikkels daar.
Gevoelens uiten veel te zwaar.
Als je eens wist wat ik wil bedoelen.
Als je eens wist hoe ik mij zou voelen.
Mijn hart staat stil, mijn hoofd zit vol.
Alles zien, alles horen eist zijn tol.
Alles zit vanbinnen, opgesloten in een bunker.
Alles onder controle, mijn drift, mijn hunker.
Een bezoek aan het warenhuis.
Daar voel ik mij nooit thuis.
Tien geluiden, honderd kleuren.
Daar kan steeds wat onverwachts gebeuren.
Lawaai, kabaal, banaal, fataal.
Geuren, kleuren, gebeuren, treuren.
Horen, oren, storen, boren.
Voelen, bedoelen, betasten, belasten.
Gelukkig alleen. Mijn eigen planeet.
Niet boos: dat je ’t maar weet.
Een taxi naar huis.
Herkenning, mijn thuis.
Geef mij mijn ruimte, geef mij mijn tijd.
Niet jou, maar de boze wereld die ik nu vermijd.
Autisme Storm.