Die vluchtige zomer

Foto: Alan op Flickr.com.

Hoe vluchtig was die zomer

Als een zuchtje in de herfst

Drie hittegolven zei de weerman

Ik trek een warme trui aan

Te weinig water stond in de krant

Ik neem een glas water van de kraan

Niets gebeurt op politiek vlak

Alleen revoluties brengen politiek

Weer een kat vermist

En de asielen zitten bomvol

Net als de wegen, de steden, het openbaar vervoer

Als heel de aardkloot eigenlijk

Want niemand woont in de oceaan

Water genoeg daar

Maar we hebben liefst iets zoetigs

Om onze tanden kapot te knabbelen

Op kosten van de sociale onzekerheid

Om nadien tien vegi kookboeken te kopen

Dieet 363 te volgen

En de maand nadien een nieuwe kleerkast

Want weer een maatje bij

Zolang ze maar geen vreemd kleurtje hebben

Ik vind wit een vreemde kleur

Zolang ze niet anders zijn

Mijn spiegel schrikt zich elke ochtend te pletter

Besef

Als de linkshandigen beginnen rechts te schrijven

Is hun laatste pennentrek nader

We gaan iets voor het klimaat doen

Elektrische boten in Amsterdam

Ze gaan varen met 300 miljoen Chinezen

Die voor het eerst een monovolume kopen

Fijn in gangnam style het milieu

… verder om zeep helpen

Moet er nog een iFoon, e-auto of tablet zijn

Nikkel, mangaan en kobalt

Kom gerust langs in Congo

Lieve Belgen en Chinezen

Ontgin het, steel het, verkoop het

Laat de kinderen putten graven

Twintig meter diep

Kinderen en ertsen genoeg

Vooruit met die plundering

Want de zomer was weer vluchtig

En lithium wacht op ons

Made in Chili en Australia

Een half miljoen ton

Voor minder komen we niet langs

Want we hebben het druk

Met het plunderen als kolonisten

Van elke Afrikaanse bodem

En onze dieetboeken zijn reeds tweedehands

Zo vluchtig als die zomer

Advertenties

Het leven: mijn eigen gril

Beeldig Lommel 2018

Foto: Sonja Hoeykens.

(Liedtekst:)

Ik had mijn eigen gril

En niemand die dat wil

Het was stil, het was stil, het was stil

Geen toekomst, honderd gaten

Dus vroeg ik maar aan mijn maten

Wat ze zaten, waar ze zaten, waar ze zaten

Toen opende het doek

Daar ontstond zowaar een vloek

Ik kreeg bezoek, ik kreeg bezoek, ik kreeg bezoek

Wat lekkers klaar gezet

Zo even weer aan zet

Wat een pret, wat een pret, wat een pret!

Toch bleef ik zo alleen

Met jeuksel daar be’neen

Aan mijn teen, aan mijn teen, aan mijn teen

Dus ‘k vroeg God een keer

Mijn hart doet zo zeer

Geef mij meer, geef mij meer, geef mij meer

En die ochtend diep in mei

Een vrouwtje kwam erbij

Aan mijn zij, aan mijn zij, aan mijn zij

Wij werden zo een paar

Het leven begon toen daar

Het was waar, het was waar, het was waar

Ik zag Madame Zaza

En deed de mensen na

Blablabla, blablabla, blablabla

Zo zitten op één lijn

Zou dit het leven zijn?

Het leek fijn, het leek fijn, het leek fijn

Te vroeg ging ik zweven

Straks oud en spontaan beven

Ik wil leven, ik wil leven, ik wil leven

Wat werd mijn leven zwaar

‘k Verloor toen al mijn haar

Ik was klaar, ik was klaar, ik was klaar

Al die herrie thuis erbij

Dat maakte mij niet blij

Ik wil vrij, ik wil vrij, ik wil vrij

Toen kwam zij dichterbij

En zei toen tegen mij:

Papegaai, papegaai, papegaai

Waarop heb ik zolang gewacht?

Foto: Jan Smets.

Waarop heb ik zolang gewacht?

Ik zou het moeten weten, mijn gedacht

Was het in de nacht of overdag?

Wie die mij dat zeggen kan?

Ik herinner mij iets, maar meestal niets

Het was op een woensdag of vrijdag misschien

Het wachten bleef duren

Het leken wel uren

En niets bewoog en niemand kwam

Tot men mij vond

Alleen en verward

Op het koertje voor het ouderenhuis

Eén keer

Foto: Atlas Hammerer.

Je tatoeëerde je naam in de lippen van mij

De vogels floten en wij hoorden het niet

Jou in mij voelen maakte mij zo vrij

En wetende dat niemand ons zo ziet

Ik voelde je adem aan mijn zij

Je was zo kwetsbaar, maar toch zo sterk

Ik pakte je vast aan je stevige dij

Van liefde maakte jij stevig werk

Onze lichaamssappen borrelden tesamen

De wereld was beperkt tot ons twee

Het zweet stond binnen op de ramen

Toen ik vroeg ‘wil je meer’ zei ze ‘nee’

Het bleef bij die ene keer

Ze zei ‘gedaan, het was fijn’

Mijn hart opgewarmd, maar doet zo zeer

Begreep ze maar die pijn

De gure nacht

Foto: jackfre op Flickr.com.

In dat verre oord

Om tien twaalf uur

Brandt ’s avonds de lamp niet

Ontwaakt de ochtend niet

In het midden van de nacht

Wordt er druk gekocht en verkocht

Door diegene die alleen naar huis toegaat

Het licht van de boomschors

Is verborgen in die vogel op het veld

De wind blies aan de kant van de weg

De achtervolging in

Niemand kijkt toe

De slechte lucht kwam op een dwarsfluit

De bamboe verwelkte

De boot nachtte het verlaten in

De roep van een enkele kraai

Hoeveel voetafdrukken en hoeveel paarden

Versleten de weg van het pad

Iemand kwam terug

De dag bleef niet tot het einde

De weggelopen koper

Liep hand in hand met een stille pijn

Het constante dramaspel

In open lucht

Iemand huilt, iemand zegt ‘het gaat niet goed’

Maar de wegloper hij doet

Altijd hetzelfde spel

Van liegen en bedriegen

Tot de ochtend aan de voordeur klopt

Of niet meer klopt

De grote stad

Foto: byHSP op Flickr.com.

Oh mijn hart, kijk ook langzaam aan de rechterkant

Dit is de grote stad

Twee armen aan elke zijkant gestrekt tot mijn binnenkant

Het ritme van de vrijheid aanbid ik in extase

De rivier vergeet nooit de heilige aarde

Dit is de grote stad

Niemand weet hoeveel mensen ons roepen

Slaapwandelen om verloren te lopen in de zee

Als lichamen achterblijven

De deur open voor geven, ontmoeten en terugkeren

Dit is de grote stad

De enige mensen die in onze buurt kwamen

Waar zij in de ochtend

Toen niemand ons durfde te verlaten

Heb ik in hun stem melodietjes gehoord

Dat nog anderen gaan komen

Dit is de grote stad

De dag werd onderbroken door geschreeuw

In het hart van het hart

Werden we wakker door het geluid

Een groep mensen in huis maakte een groot probleem

Ze aanbaden de verkeerde goden

Dit is de grote stad

Het vuur brandde vlam na vlam

De toekomst werd door geld en het lot geschreven

Zorg voor verdrukten, luister naar die andere stem

Vrees zoveel je kan en beledig niemand

Laat de zielen leven

Aan het einde van een verschrikkelijke pijn

Dit is de grote stad

Kom vandaag naar mij toe

Van alle talen, van alle volkeren, van elke religie

Heb vrede

Omarm mij met al je armen

Kom naar mij toe en word verliefd

Maak je debuut op deze pelgrimstocht

Want dit is jou stad

Sneeuw

Foto: Astrid Mensen.

Het was weer lang geleden

De sneeuw die kwam beneden

Het zag overal witjes aan

Alle auto’s van de baan

Ik kon het niet geloven

Wat deden ze toch daarboven

Boven in de hel

Deden zo hun ding daar wel

Kon ik maar verlangen

Naar vogels en gezangen

Kon ik maar weer staan

Op de aarde of de maan

Maar niemand kan ooit beloven

Dat de lente ooit zal komen

Mijn adem bleef toen staan

Het leven plots gedaan

Ik stond die ochtend voor het venster

Mijn lichaam zijn laatste genster

Het zag zo wit daarbuiten

Sterretjes bevroren aan de ruiten

Maar voor mijn ogen, plotseling zo zwart

Opeens begeven, veel te jong mijn hart

Ik zal geen honderd halen

Ik steeg op uit de dalen

Mijn karma zweeft nu rond

Waar het nooit vriest aan de grond

Het zal nooit meer lente of winter wezen

Nooit meer pijn, ziek of genezen

Ik heb mijn rust gevonden

In de hemel voor de honden

Leeg

Mij hart bloedt leeg. Het strand zit vol.

Een guillotine van lawaai hakt af.

Mijn adem breekt, de pijn versmeed.

Geschreeuw verstomd de ijle lucht.

Vibratie, een roes, een waanidee.

De pols stoot geen rode tranen meer.

De spetter daalt in zeden neer.

Het gezoem staat op, de ochtend geeuwt.

De pijn vanbinnen, de kloof vanboven.

Hoe leeg beneden, hoe druk daar buiten.

De koekoek stiller, het suizen luider.

Mijn hart is leeg, mijn hoofd is vol.

De routine roept voor mij alleen.

De afleiding zingt voor hun tezamen.

Geluk te koop in roebels en ponden.

Verdriet en onrust in koopjes en solden.

Een steek, een scheur, een ander lied.

Een bloedend hart, niemand die ’t ziet.