Sneeuw

Foto: Astrid Mensen.

Het was weer lang geleden

De sneeuw die kwam beneden

Het zag overal witjes aan

Alle auto’s van de baan

Ik kon het niet geloven

Wat deden ze toch daarboven

Boven in de hel

Deden zo hun ding daar wel

Kon ik maar verlangen

Naar vogels en gezangen

Kon ik maar weer staan

Op de aarde of de maan

Maar niemand kan ooit beloven

Dat de lente ooit zal komen

Mijn adem bleef toen staan

Het leven plots gedaan

Ik stond die ochtend voor het venster

Mijn lichaam zijn laatste genster

Het zag zo wit daarbuiten

Sterretjes bevroren aan de ruiten

Maar voor mijn ogen, plotseling zo zwart

Opeens begeven, veel te jong mijn hart

Ik zal geen honderd halen

Ik steeg op uit de dalen

Mijn karma zweeft nu rond

Waar het nooit vriest aan de grond

Het zal nooit meer lente of winter wezen

Nooit meer pijn, ziek of genezen

Ik heb mijn rust gevonden

In de hemel voor de honden

Advertenties

De overspelige spoeling

De Korenbeurs in Schiedam.

Deze voormalige koopmansbeurs, één van de pronkstukken uit de Schiedams jeneverindustrie, is meer dan 200 jaar oud. De bouw start in 1787 onder leiding van de Rotterdamse architect Carlo Giovanni Giudici.
 
Vijf jaar later wordt de beurs opgeleverd en vanaf dat moment trekken dagelijks honderden branders en distillateurs uit het hele land naar Schiedam. Op de binnenplaats, die toen nog niet overdekt was, wordt luidruchtig gehandeld in moutwijn, granen en spoeling. Er heerst een lichte chaos die vergelijkbaar is met de beurs op Wall Street. Rechts van de Korenbeurs, aan de Dam 2 is in die tijd Koffiehuis De Beurs gevestigd, waar verhitte handelaren even kunnen uitblazen.
 
Ruim 125 jaar blijft De Korenbeurs in gebruik als handelscentrum. Door de opkomst van de spiritusalcohol, die de moutwijn en granen overbodig maakt moet De Korenbeurs in 1918 haar deuren sluiten
Foto: Jan Sluijter.

De overspelige spoeling van het lot.

Je kwam aan land en vaagde alle zekerheid weg.

Het zout in de lucht en de zoete vis verloren.

De palmen die zich omdraaien tot de olie bezwijkt.

Het rendier verloren in een toendra van oerwoud.

De zon die uitdooft en de wolken die licht geven.

De mensen die braaf en goed waren en de dieven echt stout.

De zee weer blauw en de zondag weer rust.

Het lot was evenwel verloren.

Al duizenden jaren een zoutpilaar van ons bestaan.

Zoektocht naar rust

Foto: Chris van de Merwe.

Het trachten, het zoeken, het verlangen. Het hopen te vinden van de rust, de stilstaande fase in een dagelijkse wedstrijd, een ratrace, een race tegen de tijd.

Het verlangen en het zoeken naar een quasi onbestaande tijdelijke toestand om deze eeuwig te laten duren. De rust zo ver weg, zo ver van hier en zo schraal en bitter weinig aanwezig.

Gestoord, verstoord worden door de verstoorders, hen die drukte, lawaai en onrust kwistig uitdelen als hing hun leven ervan af.

De druk van de dagen, weken en maanden vooruit vol plannen, volle agenda’s, sociale verplichtingen, ontmoetingen, afspraken, noodzakelijkheden, drukten in ons bestaan.

Cijfers van uren, cijfers van minuten, cijfers van dagen, weken, maanden.

Een rat race met mensen, bezige bijen omdat het moet, omdat we er onszelf toe verplichten.

De wanhopige zoektocht naar stilte, rust, bezinning, verandering, stabiliteit. Rust.

Het gezoem van bezige bijen, van slierten auto’s, tractoren, vrachtwagens, die alsmaar diepere putten maken in de wegen en het landschap. De rubberen banden die zich kapot verslijten aan het asfalt, betonnen straten en kiezelwegen. Het schuren tot het bot. Het gekreun en gezoem tot kilometers ver.

Autoloze, autoluwe dagen. Een zegen voor mens en machine. De zondagse rustdag. De zondag wordt uitgesteld tot de volgende vakantie. De volgende vakantie verbleekt voor een nieuwe vlucht uit de dagelijkse beslommeringen.

Het uitkijken naar verlof, pensioen en rust om als het zover is opnieuw deze momenten weer bomvol te boeken met taken, opdrachten, uitstappen, verkenningen, studies, verplichtingen, …

De hunker naar rust, de hunker naar actief bezig zijn, nuttig zijn voor onszelf en anderen, de maatschappij. Bezig zijn, druk zijn.

Wanneer mag Doornroosje weer gaan slapen? De boze wolf weer boos zijn? Roodkapje weer gewoon door het (Haller)bos wandelen? Zonder dit op Twitter of Facebook te moeten posten? Omdat iedereen het doet en we er ons toe verplicht voelen.

De asociale maatschappij die gemaakt sociaal wil doen. Alleen als iedereen het kan zien. Alleen dan.

Ik leef als ik twitter. Ik leef als ik facebook. Maar ik heb geen flauw idee wie de buurman is, de man of vrouw in de trein, in de winkel, naast ons. We zijn doof (dood?) als het geen likes oplevert. We weten niet meer wat we posten.

Facebook vertelt het ons wel een jaar later. Druk doen, druk bezig zijn, de tijd, ons leven verder doen of verdoen, nuttig of nutteloos bezig zijn omdat het moet. Omdat ze willen dat we het allen zo doen?

De schildpad

Foto: Susan Dekker.

De schildpad zijn huis, de mensen hun schild.

Hoe traag de viervoeter, hoe snel de tweepoter.

Honderd jaar te gaan. Ons bestaan.

De winter laten om te slapen. De slaap laten om te winteren.

Rust, rust tot de pad kan ontwaken. Druk, druk tot de mens kan gaan slapen.

Geen pantser is bestand tegen zulk leven, want groene blaadjes moet men goed kauwen en tomaatjes niet te rouwe.

Eet een schildpad echt vlees, wordt ze plots weer mens: een beet, een snauw en steeds weer rennen. Gauw, gauw, nu gauw.

De oude ziel

Cheltenham Badlands nabij Toronto in Canada.
Foto: Lucia op Flickr.com.

De oude ziel zweeft hier nu rond. In de nacht komt hij tot leven en weer tot rust. Donker is licht en licht is donker. De beide voeten van de grond tot er geen voeten meer nodig zijn. De voeten zijn ballast. In een andere wereld alleen een last. Als ze verdwenen zijn, rest het hart en het hoofd.

De ziel en de mens. Tot ze één worden. De immense oerkracht, het helderste van het bestaan. De indrukken van het verleden meanderen in een kolkende rivier zichzelf voorbij razend tot de pijnen en de zorgen worden achtergelaten in het landschap van gisteren. Pas dan komt de oude ziel tot rust.

De kolkende rivier wordt opnieuw een rustig stromen. Van de dag bekomend, de transformatie verder zettend met de wederkerende cyclus van ons bestaan. Verlangend uitkijkend naar nieuwe groeven van straks en morgen die de rivier in de bedding van het leven snijdt. Tot straks en morgen tot stilstand komen in de zaligheid van het heden. Tot het karma zijn energie boost heeft verworven. En de oude ziel opnieuw tot rust komt, voldaan in het bestaan.

Orkaan van het leven

Foto: Azezjne.

Een orkaan van moleculen zweeft rond

Kleine partikels hoog boven in de lucht

Met een verschroeiende niets aflatende snelheid

Och zo klein, och zo snel, bliksemsnel

Twee atomen, punten, stippen in het helal

Eeuwig blijvend, eeuwig voort bewegend

Een snelheid, een intensiteit, een kracht nooit gezien

Piepkleine delen die zweven in de stroom

van een fluitketel, energie opwekkend, drijvend, vliegend,

storm en orkaan, snelheid

Verder dan wij kunnen zien met camera’s en telescopen

Meer licht, meer power, meer kracht dan wij in mensentaal kunnen benoemen

Het helal miljarden keren groter dan wij ooit dachten

Duizend Columbussen nodig om het te ontdekken… ooit

Zo enorm, zo ledig en zo vol

Leeg en vol tegelijk

Zwart, kleurloos en regenboog kleuren tegelijk

Jij mens kan niets zien

Hij God kan alleen zien

Bestuurder van mens en natuur

Partikels, stofjes in het helal

Met de afstandsbediening voor miljarden drones

Foto: Tallawah75 op Flickr.com

Nee, het leven is niet eindig

Het begint pas als wij denken dat het stopt

Als de mens denkt dat het vijf voor twaalf is,

is het nog maar de eerste minuut van de nieuwe dag

We hebben nog niets gezien

Het is nog volstrekt donker en nacht

Het blauwe uur moet nog komen

Het is nog maar net naar bed gegaan

De schakering, overgang tussen dag en nacht

of nacht en dag beter gezegd

Eén minuut na middernacht is het

Niet vijf voor twaalf

Als wij denken dat we dood gaan, dan het einde nabij is,

dat het afgelopen is, dat we onze keukelaar gaan zetten,

zijn we nog primatuurtjes

Het leven begint pas als wij denken dat er geen leven meer is

Als we het einde denken te zien,

is het nog wachten op het licht na de tunnel

Als alles donker wordt, is het maar een slaap

Als alles tot rust komt, is het maar een pauze

Een knop ‘on hold’

Even uitademen

De stilte van één mini-seconde

En nog één

Als alles stil en donker wordt, als alles dood lijkt,

is het een stilstaand beeld op de tv,

de winterslaap van fauna, flora, een beer, de bloem, de boom, onszelf

Foto: Katyefamy op Flickr.com

Onze winterslaap gaat tot het kleinste partikel,

het kleinste atoom, de kleinste cel van ons lichaam

De kern van onszelf, ons bestaan

Het lichaam is ons omhulsel

Zoals chichorei, een ajuin, alles verwelkt,

alle schillen bevatten de kern van ons bestaan, ons wezen

Het karma vervat in de ziel

De pose tot de pauze

En na elke pauze het atoom

dat onze ziel bevat en dat opnieuw uitgroeit

tot een nieuw karma, een nieuw bestaan

Als we ons ontdoen van alle schillen,

vervellen we telkens tot het ene atoom

dat meer licht geeft dan alle sterren samen

Dat meer energie en kracht bevat dan de zwaarste atoombom

of vulkaanuitbarsting

Uit het niets zal alles ontstaan

Opnieuw en opnieuw

Elke atoom zal opnieuw zijn karma opbouwen

Als een lege batterij in het stopcontact opnieuw tot leven komt

Er is geen einde aan het leven

De dood is enkel de transitie, de pauzeknop naar een ander leven

De trein die even stil staat

En toch weer verder bolt naar een nieuwe halte

Een nieuw landschap verkent en ontdekt en over de sporen weer tot leven komt

De sporen liggen er

De wissels van voordien bepalen onze volgende bestemming

Ons doel, onze reis

We sporen naar een nieuw leven, naar een nieuwe toekomst

Een nieuw karma verwelkomt ons

Hoe de partikels zweefden en quasi tot stilstand kwamen bepaalt

de volgende beweging, vlucht, storm, orkaan in ons bestaan

Nooit meer hetzelfde als voorheen, het verleden, als de rugzak,

de bagage om mee te nemen op een nieuwe reisweg

Een nieuwe route in ons bestaan

Als niets zijn wij gekomen en als niets zullen wij ook verder gaan

Ons bestaan

BIJ-STAAN

Iemand staat ons bij

Een éne God figuur

Geen mens, heel anders

Foto: Arock Photo op Flickr.com

Het gemis van de woestijn

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Ik mis de woestijn.

Elkaar verstrengelende wurgende planten.

Wat moet ik ermee? Ik mag er toch niets mee doen.

Rommel en rotzooi. Grijpend naar elke vierkante centimeter lucht.

Als kolonisten de binnenkoer bezetten als een gebetonneerde settlement.

Elkaar verslindend. Groene vampieren van de dag.

Muur en schutting, ruimte, breedte en hoogte opetend. Als groene koekiemonsters.

Ik mis de woestijn. Alleen zijn en eenzaamheid.

Het gewone geluk gekleefd als een stabiele trilling in een landschap van steppe en woestijnduinen.

Naar ongezuiverde kerosine ruikende highways van Amman tot Petra.

Een landschap van verdorde twijgen, autobanden, autowrakken en verlate wegrestaurants, autowerkplaatsen en théehuizen.

Kilometers van stof en zand en rust in mijn hoofd.

Het sociale koekiemonster eet al mijn weekends op.

Ik hunker naar rust en stilte.

Geen jojo die op en neer gaat.

Geen storende mug op de slaapkamer.

Een oneindig aantal sociale verplichtingen met een bord vol koetjes en kalfjes chocolade.

Ik voel mij leeg van geest en vol van hoofd.

Een marteling van vrijdagavond tot maandagmorgend.

De uren aftellend dat het weekend eindelijk is afgelopen.

Ik voel mij opgesloten en onnuttig in het weekend. Als een aap in een kooi.

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Ik mis de routine. Ik mis elk overzicht, elke controle, elke regelmaat.

Het weekend doodt elke creativiteit, elke zin van ons bestaan. Ik wordt niet gelukkig van weekends.

Het weekend duurt twee dagen te lang. Van nutteloos gekwebbel, gezucht, verplichtingen, gezeur en rommel.

Ik moet mijn hoofd leegmaken van maandag tot vrijdag om het weekend te overleven. Het bomvolle weekend voelt leger dan leeg.

Rondjes fietsen en de pedalen verliezen tot je ter plaatse blijft trappelen.

De onrust, het altijd moeten, het altijd zijn, de noodzaak te leven – of is het langzaam sterven voor mij – breekt mijn hart en vult mijn hoofd met rommel.

Overvolle weekends wurgen al mijn creativiteit, eigenheid, mijzelf, …

Een marionet met handen en voeten gebonden. Bespeeld door anderen. Geleefd. Moe van geleefd te zijn. Doodmoe.

Verlangen naar rust die maar niet wil komen. Een zoektocht naar een sprankeltje mijzelf zijn. Mij nuttig voelen.

Niet meegesleept te worden in de heksenketel van rush, van vrijdagavond tot maandagochtend.

Wurgende planten, versmorende agenda, keelgrijpende weekends. Ik haat het! Ze doden mijn eigen ik.

Ik wil gelukkig zijn in het weekend. Blij zijn en voldaan zoals anderen. Ik mis mijn werk, mijn regelmaat, mijzelf.

Ik herken mij niet meer in de spiegel. Het glas is dof en mat.

Waar ben ik gebleven? Wanneer kan ik weer leven?

Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.
Foto: Driving Dutchmen – Flickr.com.

Dode materie

Foto: Willem Minderman, Dood riet II [PK-2006-P-183].

Gij dode materie, waarom zijt gij levend voor mij?

Gij levende mens, waarom zijt gij dood voor mij?

Ik kan u niet aankijken, gij onmogelijk iets.

Mens van emotie, gebaren, gezichten, ogen-blikken.

Mijn oogkleppen gaan dicht voor uw vorm van contact.

Alleen al uw stem, kort en eenvoudig.

Alleen uw verhaal, kort en klaar voor gebruik.

Geen koeien en kalven… die staan in de wei.

Ik luister beslist, mijn ogen gericht.

Op dode materie, mijn aandacht is daar.

Maak mij eerst wakker, dan ben ik erbij.

Zeg het direct, waar het nu opstaat.

Straks is een vraag, vijf minuten het antwoord.

Geef mij een plan, hou u eraan.

Geef mij een hand, maar streel niet spontaan.

Geef mij mijn rust, dan bloei ik voor jou.

Foto: Kalev Leetaru – Calmo, Andrea, ca. 1510-1571..
Uitgever: Vinegia Alessio.

Oorlog in de keuken

Het was weer oorlog, in mijn hoofd en in de keuken.

En als dat gebeurt, ik kan verzekeren, niet leuk eh.

Dan krijgen alle voorwerpen een eigen leven.

Dan kan niemand mij nog enige rust geven.

Dan dansen potten en pannen in het rond.

Dan steekt het bestek vuur aan de lont.

Dan klopt de komkommer de aardappel af.

Dan zijn de messen de militaire staf.

De leefkeuken wordt een slagveld.

Waarbij men alle soldaten natelt

En komen nog meer groenten aandraven.

Veranderen de keukenstoelen in loopgraven.

En ook al is de kok een danser.

Schuil ik mijzelf in een diep pantser.

Mijn hele regelmaat, mijn structuur, mijn plan.

Is naar de maantjes als zelfs dat nog kan.

Eens de opwelling tot koken is ingezet.

Is het uit met herkenning en de pret.

Dan buldert het keukengerei naar de infanterie.

Dan roept het aanval daar en aanval hier.

De slachtoffers worden in stukken gesneden.

Doden onder de vaat gans beneden.

Wie niet voelen wil, die zal koken.

Tot plezier van martel- en keukenspoken.

Geen groente blijft nog heel.

Geen specerij is ooit te veel.

Geen vlees is ooit te rood.

Geen aardappel eens te groot.

Een afwas van Amsterdam tot in Kaboel.

Daar ging het om, dat was hun doel.

Als neveneffect van de keuken oorlog.

Eten, uiteindelijk, allen naar die trog.

De aardse trollen

Als trollen uit moerassen gekropen.

Komen zij nieuwe handtassen kopen.

Willen zij aan luxe reukwater rieken.

Gaan zij rust en vrede verzieken.

Met veel lawaai, met veel kabaal.

Spreken zij een andere taal.

Een taal van koopjes en consumeren.

Tooien zij zichzelf in nieuwe kleren.

Een plicht, een noodzakelijk kwaad.

Als wezen het toch een goede daad.

En vraagt een promoboy van Amnesty.

Een gevangene in Nicaragua, kende gij die?

Dan roepen zij allen heel spontaan.

“Het zijn koopjes, loop toch naar de maan!”

Ons geluk kan niet meer stuk.

Met shoppen hebben wij het veel te druk.

In een nieuwe pyjama liggen wij straks voor de buis.

En ook dinsdag zijn wij zeker niet thuis.

Dan gaan wij allen naar het containerpark.

Met één jaar oude kleren van de Primark.

Lopen in kleren van vorig jaar.

Dat is niet om aan te zien, niet waar?

Met onze poen werken in India en Pakistan alle tieners.

Twintig cent per uur de groot verdieners.

Voor zestien uur werken kijken zij niet om.

En zonder school houden we hen lekker dom.

Wij hebben in elk geval nieuwe kleren.

En de rest kan ons niet deren.